Zo luidde nog niet zo lang geleden een reclameslogan van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, een boodschap die door de buitenwacht lang niet zo met hoon werd begroet als de campagne ‘Leraar, elke dag anders’.
Maar leraar een mooi beroep? Onze vaderlandse schrijvers schetsen in vele verhalen en romans over leraren toch een ander beeld. Joost Zwagerman bijvoorbeeld, zelf afkomstig uit een onderwijsmilieu, die in zijn roman ‘De buitenvrouw’ (1997) het beroep als volgt omschrijft:
Het leraarschap is een maatschappelijk aanvaarde vorm van regressie. Waarom, waarom dan toch gekozen voor het vak van leraar?
In het verhaal ‘Het seminar’ (1993) van Inigo Meerman wordt ronduit gesteld
Leraar is een beroep voor schlemielen geworden
Ook de befaamde pulpschrijfster Margreet van Hoorn, die na publicatie van haar vijftigste roman jubelde ‘ik begin pas met schrijven!’, meldt in haar roman ‘Een storm in je hoofd’ (1998):
creativiteit en het leraarschap zijn onverenigbaar.
Dat verklaart waarom zoveel leraren in hun werk vastlopen, aldus deze roman.
In de roman ‘Het slotfeest’ (2004) van schrijver en lerarenopleider Jacques Kruithof lezen we
Leraren zijn net sporters die de top niet gehaald hebben, en nu onder elkaar doen alsof het negende elftal, waarin ze wat lopen te sloffen, toch een soort top is.
In de beroemde, in onderwijskringen spelende roman ‘En dan is er koffie!’ (1976) van de destijds populaire schrijfster Hannes Meinkema wordt beweerd:
leraren neuken niet, dat weet iedereen!
Christiaan ter Winkel schreef het al in zijn roman ‘Mij dorst’ uit 1974, het relaas van een impotente leraar uit Zeeland met een Jezuscomplex. Clem Schouwenaars (ex leraar Nederlands) schreef het reeds in zijn romans ‘Baldriaan’ (1981) en ‘Een krans om de maan’ (1985), romans over vastgelopen leraren met een verstoorde viriliteit, leraren die vergeefs vechten tegen autoriteiten op school en de middelmatigheid van hun collega’s. In de roman ‘Baldriaan’ wordt een impotente leraar klassieke talen verlaten door zijn vrouw, die er met een fotograaf vandoor gaat. Uit verwarring gaat de leraar een eindje fietsen, maar hij verdwaalt, alleen de route naar en van school is hem vertrouwd. Hij blijft een jaar zoek en ontmoet in die tijd vele vrouwen, en zie: van dienstertjes tot gravinnetjes, allemaal bezwijken zij voor de plotseling opgeleefde viriliteit van de leraar klassieke talen. Moraal: verlaat het onderwijs, daar kan geen Viagra tegenop!
Van hetzelfde is de verhalenbundel ‘Lovina uit vissen’ (1993) van de van ellende naar Zuid Afrika geëmigreerde schrijfster Ingeborg van Geldermalsen, waarin een vrijlustige deerne de fout maakt na kroegbezoek met een leraar maatschappijleer naar huis te gaan. Zij heeft echter een onmachtige stier uit de wei getrokken. De leraar toont haar trots zijn zelfgetimmerde bedbak en doet haar omstandig allerlei technische details uit de doeken, zonder haar uit haar windselen te helpen, wat het hitsige meisje doet verzuchten:
‘leraren zijn kleurloze huismussen uit het jaar prik!’
Het best kan de stereotypering nog geïllustreerd worden met een citaat uit de roman ‘Karelische nachten’ (1989, bekroond met de AKO Literatuurprijs) van de Haarlemse schrijver Louis Ferron, het relaas van een aan lager wal geraakte leraar Duits:
In de spoelbak van het lerarentoilet hield ik altijd de fles drank verborgen. Niet om die pummels van leerlingen het hoofd te kunnen bieden, dat ongeïnteresseerde volkje ging mij niet aan. Het was eenvoudigweg zo, dat een ambitieloos leven naar mijn mening het beste met drank geleefd kon worden.
In dit citaat zitten evenwel drie relevante elementen vervat die regelmatig in andere romans terugkeren:
- het lerarenbestaan is uitzichtloos, hogerop klimmen kan niet
- de leraar is vervreemd van zijn beroep en zijn leerlingen
- leraren houden wel van een stevig glaasje
Nog in 2001 schreef Kester Freriks (schrijver, leraar) in ‘Frikkie, go home!’
Ik dronk, iedere avond en nacht voor ik voor de klas stond, driekwart fles jenever. Want het leraarsbestaan is armzalig.
Het zijn niet de minste schrijvers die gefrustreerde leraren opvoeren langs clichématige beroepstyperingen en daaraan nog flinke literaire prijzen overhouden ook. In de roman ‘De tweede man’ (voorjaar 2000, genomineerd voor de AKO-literatuurprijs) van Doeschka Meijsing (ex-lerares Nederlands) komt alwéér een leraar voor die verslaafd is aan alcohol… En geen literair criticus die dat is opgevallen!
In oktober 2000 verscheen de lijvige roman van de niet bepaald als vrolijk bekend staande jeneverliefhebber en beroepsbrombeer Jeroen Brouwers, ‘Geheime kamers’, bekroond met de AKO Literatuurprijs en de Gouden Uil Literatuurprijs, over een aan de pillen verslaafde en tobberige ex-leraar in een zware identiteitscrisis. Alle elementen van de romanleraar komen weer terug: het onderwijs is een verkeerde beroepskeuze geweest en de aanleiding tot een zware psychologische dan wel midlifecrisis.
Cees Nooteboom schreef in 1991 het boekenweekgeschenk, ‘Het volgende verhaal’. Het oudere hoofdpersonage in deze novelle heet Herman Mussert en is leraar klassieke talen. Mussert wordt op zekere dag ’s morgens wakker in een hotelkamer in Lissabon, terwijl hij zeker weet dat hij de avond ervoor in Amsterdam in zijn bed is gestapt. Zoiets kan alleen een leraar in een Nederlandse roman overkomen!
‘Het volgende verhaal’ is de ‘geschiedenis van een depersonalisatie’, en zoals dat elders in deze beschouwing aan de orde komt, is dat typerend voor de karakterontwikkeling van een leraar in een Nederlandse roman. Dit type leraar lijdt aan een sluipende afbrokkeling van zijn persoonlijkheid, hij splitst zich op in diverse ‘ikken’, wat gepaard gaat met verlies van tijdsbesef, existentiële wanhoop en angsten, soms leidend tot chronische depressies, opname in een psychiatrisch ziekenhuis of zelfmoord.
Veel leraren in Nederlandse onderwijsromans vertonen een nogal labiele geaardheid. Zij zijn de achterblijvers in onderwijsland, gepest en getreiterd en zelf ook geduchte treiteraars, verstoken van iedere energie en motivatie, vol wrok jegens hun collega-leraren. Zij kampen met een negatief zelfbeeld of het tegendeel: grenzeloze zelfoverschatting. Voor de leraren van de laatste categorie geldt, dat hun onmetelijke kennis meestal niet evenredig is met hun vermogen om orde te houden, niet in de klas noch in het eigen leven. Zij willen graag voor losbol doorgaan, maar zitten muurvast in een identiteitscrisis. Het leven heeft soms een kwade hand in het lerarenbestaan, leraren in romans voelen zich vaak door het leven ingesloten; zij hebben spijt over hun besluit in het onderwijs te gaan en kampen met rancunegevoelens over de verspilde jaren die reeds zijn heengegaan. Over hen gaan in romans de wonderbaarlijkste geruchten in omloop. Heel vaak gaat het mislukken als leraar gepaard aan huwelijksproblemen of existentiële vereenzaming, identiteitsverlies, innerlijk gemis, zoals bijvoorbeeld bij leraressen in verhalen van Kristien Hemmerechts. Helemaal aan de fantasie van schrijvers ontsproten is dit niet, in de onderwijspsychologie noemt men dit verschijnsel ‘het desintegrerend leraarschap’. Vaak lijdt men aan fundamentele levensproblemen: thuis gaat het niet goed, en wanneer de thuissituatie instabiel is, heeft dit zijn weerslag op het functioneren voor de klas, op school, tussen deze werelden kan men nog moeilijk schakelen. Men wordt door onzichtbare handen neerwaarts getrokken, bij het geringste is men van streek, men voelt zich leeg van binnen, verdoofd staat men voor de klas, verlangend naar de fles of een ver zonnig strand, men verdraagt thuis zijn vrouw niet meer, vriendschappen verliezen hun waarde en voor men het weet is men het zicht op zichzelf volledig bijster geraakt.
Overigens is het niet in alle gevallen duidelijk of de oorzaak van de problemen thuis of op school liggen, of dat de leraar gewoon van zichzelf krankzinnig is of door zijn omgeving vreemd wordt gevonden, bijvoorbeeld in de roman ‘Rampspoed: novelle van de leraar’ (1985) van Alfred Kossmann, over een oudere (ex) leraar die aan geheugenverlies lijdt en die voor de raarste dingen cijfers geeft. Wanneer hij op een parkeerterrein voor de supermarkt een oud-leerling tegenkomt, schiet het meteen door hem heen (ondanks zijn geheugentekort): ‘De Bruin, een zeven-minnetje’. De vriendinnen van zijn vrouw fluisteren elkaar toe: ‘zou hij haar ook cijfers geven voor je weet wel?‘
(Alfred Kossmann)
Of neem de lotgevallen van leraar Kapelaan in de novelle ‘Omtrent Kapelaan’ (1985) van Willem van Toorn, zelf jarenlang onderwijzer in Dwingelo.
De collega’s hadden vastgesteld dat Kapelaan geen bevredigend inzicht kon geven in zijn werkmethode en zijn wijze van resultaten beoordelen. Oncollegiaal gedroeg hij zich, vonden ze. Hij paste niet in het team. Kapelaan was er zenuwachtig van geworden en vervolgens zeer neerslachtig. Dat vonden ze naar. Misschien moest Kapelaan eens onderzocht worden.
Sommige leraren beginnen een verhouding met een leerling(e) – bijvoorbeeld in ‘De ziener’ (1959) van Simon Vestdijk, ‘Pijnboomspook’ (1978) van Bouke B. Jagt, ‘Noordzeepalmen’ (1980) van Huub Beurskens en ‘Het rookoffer’ (1987) van Tessa de Loo (een ‘remake’ van Vestdijk’s ‘De ziener’), of zij proberen, al dan niet openlijk, een leerling te verleiden (bijvoorbeeld bij Mischa de Vreede, Oek de Jong en Simon Vestdijk). Andere leraren beginnen een verhouding met een collega of trekken zich terug in een landelijk pension, hotel of ander vluchtoord, zoals in de romans ‘De verwondering’ (1962) van Hugo Claus, ‘Het misverstand’ (1983) van Frans Stüger, ‘Aanrakingen’ (1984) van schrijver, historicus en geschiedenisleraar Jan Meyers of in ‘Het slotfeest’ (2004) van schrijver, dichter en lerarenopleider Jacques Kruithof.
‘Aanrakingen’ is een roman over een geflipte leraar, die is gevlucht voor zijn overheersende vrouw. Hij neemt zijn intrek op een woonboot, maar krijgt te maken met een buurtactiegroep die de ligplaats van zijn boot betwist. En ziet hij zich geconfronteerd met klonen van zijn vrouw en indirect vrouwelijke collega’s op school:
Agressieve wijven met bekken als scheermessen, slonzige grauwe muizen met meer principes dan tieten.
Wonen leraren gewoon thuis, dan stelle men zich een interieur voor vol drankflessen. De drankzucht en eenzaamheid van de leraar vinden we bijvoorbeeld terug in de roman ‘Op de leegte’ (1999) van de Nederlandse schrijver Max Niematz (enige tijd leraar geweest). Het hoofdpersonage in deze roman is een zwijgzame, oudere leraar Frans met een negatief zelfbeeld, de eenzame Lex Fernhout, die veertig jaar bij zijn moeder heeft gewoond, een moeder die hij verafschuwt. Fernhout is een vroegoude veertiger met een pafferig gezicht, achterovergekamd haar dat kale plekken op de kruin moet camoufleren en draagt een grote montuurloze bril.
Fernhout onderdrukt zijn homo-erotische fantasieën. Iedere avond ligt hij al vroeg stomdronken en huilend in bed
Hij was weinig populair op school. Collega’s en leerlingen respecteerden hem hoofdzakelijk om zijn voorspelbaarheid. Van Lex Fernhout wist je zeker dat hij nooit uit de bocht zou vliegen, nooit bijster geestig zou zijn, maar altijd ongemakkelijk en absoluut saai. Hij bezat weinig overtuiging als leraar, had het vak gekozen bij gebrek aan beter. De kans op een zonniger toekomst achtte hij verkeken en hij was er niet eens rouwig om. Hém zou je niet horen juichen over het onderwijs, maar het werkte, het gaf houvast. Zonder collega’s en de regelmaat van een lesrooster kon je Fernhout gerust onder de grond stoppen…
De sfeer op school, ergens in Groningen, is niet best. Fernhout maakt deel uit van de sectie Frans en botst voortdurend met conservatieve collega’s, die Stoof, Wiedema, Balein heten. Men verdraagt elkaar, omdat men al zoveel jaren met elkaar zit opgescheept. ‘Op de Leegte’ is een goed geschreven, thrillerachtige roman, waarin een mistroostig beeld wordt geschetst van het onderwijsmilieu, een mannenbolwerk, waar vrouwen weinig in te brengen hebben of louter als decorstukken figureren, aangenaam om naar te kijken of over te fantaseren, en voor de rest zoveel mogelijk te negeren. Een roman, waarin de statige heren, al decennia actief in het onderwijs, in al hun welsprekendheid en onderlinge wrevel vastgeroest zijn in de wegen en dwaalwegen der pedagogiek.
Helaas, of gelukkig, is deze Lex Fernhout geen eenling in de Nederlandse literatuur.
Een verdere verkenning.
In 1979 verscheen de roman ‘De ondergrondse’ van Maurits Mok (1907-1989). Het is het verhaal over de chagrijnige onderwijzer Koch. Koch woont vanwege de gezondheid van zijn vrouw in een klein kustplaatsje. Hij veracht de dorpsmentaliteit
Het uitdelen van kennis aan de plaatselijke jeugd stond gelijk met zaaien op rotsgrond. In de botte blonde koppen huisde evenveel geest als in varkens.
Ook op de school waar hij werkzaam is acht Koch zich vele malen hoger dan zijn collega’s of zijn directeur, ‘een stuk elastiek waar de rek uit is, een slappeling die dankzij een volslagen gebrek aan temperament met het leven verzoend was en dankzij een aanzienlijk gebrek aan benul door collega’s als geschikt voor zijn positie werd bevonden’. Koch heeft het dan ook moeilijk, als briljante eenling. Hij probeert aansluiting te vinden bij andere hoogbegaafden, maar hoe hij ook zoekt, hij vindt er geen
Een dergelijke aanleg maakt het onderwijzerschap, en dan nog bij een plattelandsbevolking, tot niet minder dan een kwelling. De verhouding met zijn collega’s verschilde niet principieel van die met de leerlingen. Ook in deze kleinere kring was hij qua persoonlijkheid de eerste, al gold officieel het schoolhoofd als zodanig.
Bij Koch rijpt een geniaal plan. Mensen zoals hij zouden in een aparte samenleving moeten wonen! Hij ontwerpt in het geheim, in zijn schuurtje, blauwdrukken voor een ondergrondse samenleving voor de elite, afgezonderd van het bovengrondse plebs. Hij noteert, steeds enthousiaster wordend, hele schema’s en registers van toekomstige bewoners, verdeeld over een blauwe kolom voor de elite en rode kolommen voor het gepeupel
Overeenkomstig de bedoeling van het plan, bleef de met blauwe inkt geschreven kolom zeer beperkt. Kolom was trouwens een te groot woord, want de naam van Koch stond in de blauwe rubriek voorlopig alleen, terwijl de rode afdeling in vlot tempo tientallen namen kreeg toegewezen.
Dit alles tot groeiende ongerustheid van zijn vrouw: schat, wat doe je toch allemaal in die schuur? Hier dus een onderwijsgevende die zich wel schaart onder de mannenbroeders van dominees, notarissen, advocaten en burgemeesters. Koch bijt zich echter zo vast in zijn geheime plan, dat hij uiteindelijk, stemmen horend en overal onzichtbare vijanden van zijn plan bespeurend, krankzinnig geworden wordt afgevoerd.
Ook in moderne romans keert het identiteitsverlies van een leraar regelmatig terug. Bijvoorbeeld in ‘De laatste lach’ (1997) van de Nederlandse schrijver R.A. Basart, waarin leraar Adam Beek in een grote identiteitscrisis verkeert: hij trekt vreemde kleren aan, ouderwetse pakken, hoedjes, brillen en valse snorren. In de klas zorgt hij voor gegiechel bij zijn leerlingen als hij op een dag twee verschillende schoenen draagt. Suggesties van de schooldirecteur om het even rustig aan te doen en verlof te nemen, slaat hij in de wind. Wanneer mensen hem aanspreken zegt hij ‘ik ben er niet’ , ‘ik ben niet wie u denkt’ of ‘ik ben een ander’.
Het loopt slecht af, met Adam Beek, die in de roman als volgt wordt omschreven:
Man met opvallend gemis aan markante trekken. Leraar.
Deze zin doet onmiddellijk onze grootmeester Simon Vestdijk in gedachten schieten, die in zijn roman ‘De andere school’ (1949) noteerde:
Volgende leraar. Een aangename boer, die niet uit zijn woorden kon komen, vriendelijk plantaardig.
Simon Vestdijk (1898-1971) heeft veel jeugdherinneringen in zijn romans verwerkt. Zijn Anton Wachter-cyclus, waaronder het prachtige ‘Terug tot Ina Damman’ (1934) beslaat herinneringen aan zijn schoolloopbaan en leerkrachten. Berucht geworden is leraar Horsting uit ‘Terug tot Ina Damman’, een morsige, roodharige viespeuk
Leraar Horsting bood aan dat hij Marie van den Boogaard na schooltijd voor iets geheel anders een hoog cijfer kon geven
In ‘De andere school’ (1949), deel 4 uit de Anton Wachterromans, schetst Vestdijk een aantal onvergetelijke lerarentypes in zinnen zoals alleen Vestdijk ze schrijven kon (waarom is Anton Wachter nooit verfilmd?) en die associaties oproepen aan de leerkrachten aan het Vossius zoals Gerard Reve dertig jaar later heeft beschreven.
Hieronder een kleine parade van Vestdijkiaanse leerkrachten
Er waren twee duidelijk zenuwzieken: dr. Heringa, de scheikundeleraar, die naar men zei in een inrichting was geweest, en de Nederlandse leraar Westra, bijgenaamd de Bul, een allerellendigste, tot tranen toe ontroerende karikatuur op het geduchtste aller honderassen. En Odinot mocht dan niet zenuwziek zijn, hij had toch een hartkwaal, en deed vreemder dan Heringa en Westra samen; hij hoonde, rookte pijpen in de klas die rochelden, zei nog steeds de namen voluit, en scheen niets van de Alpenpassen te willen weten. () Een met veel verve tentoongespeide verachting voor alles wat naar leerling zweemde bleef intussen Odinot’s voornaamste trek. ()
Heringa, een lange, magere man met een benig, rood domineesgezicht en een paardelachje, was algemeen geliefd; men vond hem intelligent en gewillig, en van zijn zenuwziekte, zich uitend in een verwezen staren nu en dan, of de nederige opmerking ‘ik ben weer erg afleidbaar vandaag’, had men geen last, te meer omdat die zeker niet op school ontstaan was, zodat men zich niets had te verwijten. () En dan was Mossel er nog, die werkelijk al te belachelijk streng les gaf, met zijn ‘honderd maal de formules overschrijven’ voor de geringste leemte in de kennis der goniometrie. Mossel die onder geweldige hoogspanning scheen te leven, wreed en beheerst oosters, fakirachtig verstorven.
Meer leraren en karikaturen daarvan treft men onder meer in Vestdijk’s romans ‘De ivoren wachters (1951), ‘De ziener’ (1959) en ‘Zo de ouden zongen’ (1965).
(Simon Vestdijk)
De eerder aangehaalde roman van Basart doet verder sterk denken aan de novelle ‘Tegelaar’ (1986) van Ton Meyer. In dit boek is leraar Nederlands Tegelaar van zijn vak vervreemd.
Tegelaar is vereenzaamd en verwaarloost zijn huishouden. Hij kampt met een fors drankprobleem en giet bewust koffie over de proefwerken van zijn leerlingen, dat scheelt weer de inspanning van het nakijken. Om de klas in het gareel te houden gooit hij nu en dan een asbak tegen de wand van het klaslokaal
Ik ben mijn leerlingen aan het verliezen, denkt hij. Ik ben een droge sloot geworden. Ik heb geen inspiratie meer, geen plan, geen inzet. Ik verkoop plantjes met dode wortels. De leerlingen begrijpen dat, in hun gedrag getuigen ze daarvan.
Wanneer Tegelaar weer eens, met een flinke kater, te laat op school verschijnt, loopt hij op de gang een meisje van zijn klas tegen het lijf. ‘Gut meneer, zei het meisje, ‘we dachten dat u zou vervallen, shit’. Even later werpt leraar Tegelaar zich voor de ogen van zijn verbijsterde leerlingen uit het raam.
Hoeveel Tegelaars zouden er werkelijk in het onderwijs rondlopen? Misschien wel meer dan wij vermoeden. Tegelaar is als oudere leraar de greep op zijn vak en daarmee zijn leerlingen kwijtgeraakt. Ook van zijn collega’s is hij vervreemd.
Hij oefent zijn beroep met grote tegenzin uit en vindt troost in de fles wijn die aan het eind van de dag op hem wacht. In het onderwijs vindt hij geen uitdaging meer, zijn energie is op en daarmee ook iedere animo om zich te laten omscholen. De enige behoefte van Maslow die hij nog lijkt te hebben is zijn behoefte aan drank.
Cor de Hoon (schrijver en ex-leraar Engels) publiceerde in 1978 de roman ‘Bitter lemon’, over de geestelijke aftakeling van een leraar Engels, die al tientallen jaren in het onderwijs werkzaam is. Deze leraar heeft het allemaal zien komen en gaan: de klompen, de sandalen, de geitenwollen sokken, de minimode, de maximode, de sextruitjes, de lange haren. De roman speelt zich af tijdens een hittegolf. Toch slaapt leraar Vincent in een pyama:
leraren sliepen niet naakt.
In de slaapkamer oefent Vincent voor de spiegel zijn lessen, tot ongerustheid van zijn vrouw:
‘Vincent, wat doe je toch weer vreemd. Ik hoop niet dat je in de klas met die leerlingen erbij ook zo raar doet’.
Cor de Hoon drijft in zijn roman de spot met ambitieuze en abstracte onderwijsprogramma’s en verbeeldt de desinteresse van de leraren die aan die programma’s geen enkele boodschap hebben. Wat moet je ook als leraar met lezingen van zogenaamde onderwijsdeskundigen vol dor ambtenarenjargon:
‘Is het mogelijk in een programma alle doelstellingen te operationaliseren of zijn er doelstellingen die, hoewel ze van prioritaire aard zijn, de operationalisering trotseren?’
Of zinnen uit het saaie betoog van de deskundige als
‘Een leerkracht kan aan vrij homogene groepen onderwijs verstrekken waar het cognitieve vorming betreft. De dynamische en affectieve eigenschappen van de leerlingen zijn vaak uitermate verschillend.’
De oudere collega-leraren van Vincent mompelen voortdurend ‘het zal mijn tijd wel duren’. Tijdens genoemde lezing op school (de onderwijsdeskundige doceert onder grote hilariteit van het lerarengehoor: ‘wij moeten ons beijveren de affectieve ingangen van onze leerlingen te zoeken’) komt de overspannenheid van Vincent tot een uitbarsting. Hij verdwijnt in een psychiatrische inrichting, na al eerder door zijn huisarts te zijn gewaarschuwd:
‘Je weet dat leraren het hoogste sterftecijfer hebben van alle beroepen. Er zijn er maar weinig die hun pensioen halen, maar wie weet bof je wel’. (Arts barst in lachen uit).
Onderwijsvernieuwingen hebben tot een aantal intrigerende romans geleid. In de (ook op het ministerie van OCW) geruchtmakende roman ‘De rectrix’ (1995) van Simon Bottema, een roman gebaseerd op de omstreden benoeming van Charlotte de Vries Lentsch aan het Amsterdamse Barlaeus gymnasium (in de roman heet zij Carla de Rijk Bezemer) wordt over de dreigende invoering van de lump sum financiering in het onderwijs verhaald.
Mevrouw de Rijk Bezemer (‘sluik blond haar, parelkettinkje, Moschino-parfum’) is door het gemeentebestuur van Amsterdam benoemd aan het Anna Bijns College, zeer tegen de zin van het schoolbestuur dat een eigen kandidaat in gedachten had. Maar de PvdA heeft de macht in Amsterdam, en de PvdA-wethouder van onderwijs hoopt goede sier te maken bij het ministerie. De benoeming van mevrouw de Rijk Bezemer wordt de school door de strot geduwd.
Mevrouw de Rijk Bezemer is dus niet te benijden. Zij gedraagt zich in haar achterdocht echter zo tiranniek (zo kraakt zij computers om te achterhalen wat men allemaal over haar schrijft), dat zij langzamerhand in een onmogelijke positie komt te verkeren, zeker als uitkomt dat zij in een vorige betrekking enige duizenden guldens uit de schoolkas heeft ontvreemd. De school ziet haar kans schoon mevrouw de Rijk Bezemer te dumpen. Uiteindelijk wordt zij, dankzij haar relaties, weggepromoveerd naar een post in dienst van het ministerie van Onderwijs, dat wil zeggen als onderwijsinspecteur, hetgeen uitstekend aansluit bij de louche kwaliteiten die inspecteurs in onderwijsromans worden toegedicht. (Charlotte de Vries Lentsch zou in werkelijkheid directeur Personeel en Organisatie worden bij het ministerie. De vermeende diefstal zoals die in de roman wordt beschreven, vond plaats aan een gerenommeerd lyceum in Den Haag, waar een rectrix haar handjes niet van de schoolkas had kunnen afhouden. Simon Bottema heeft deze zaken ter wille van het verhaal met elkaar verweven.)
In de roman van Simon Bottema staat het letterlijk zo geschreven:
‘het ministerie in Zoetermeer wilde maar niet begrijpen wat er zich op een school afspeelt’.
Behalve de neergang van de rectrix, draait het in de roman vooral om de invoering van de lumpsum financiering en het project Vitaal Leraarschap en alle gevolgen die dit heeft voor de bedrijfsvoering van scholen. PvdA-wethouder van Brakel is enthousiast
Kijk, er is een flinke trend in het onderwijs om de boel bedrijfsmatiger aan te pakken. Alles moet flexibeler, zelfstandiger, efficienter, meer op productie en rendement gericht. () In het lumpsum-systeem krijgen de schoolbesturen een keer per jaar een zak met geld, en daar moeten ze dan alle uitgaven voor het hele jaar van betalen, zowel voor het personeel als voor het materiaal. De schoolbesturen mogen zelf weten hoe ze dat geld zullen verdelen. En nou wil het ministerie het lumpsum-systeem binnenkort in het hele land invoeren. Dat zal enorme gevolgen hebben! Dat is een riskante onderneming, dat begrijp je wel! Daarom wil de staatssecretaris eens voorzichtig aftasten hoe dat systeem in de praktijk gaat uitwerken. Dus heeft de staatssecretaris besloten een proefballonnetje op te laten. En nou heeft de staatssecretaris mij aangeboden, omdat we elkaar nog van vroeger kennen, om een school uit te kiezen die onder mijn bestuur valt, en daarmee dit ambitieuze project van de grond te helpen komen!
Van Brakel ziet de invoering van het lumpsum-systeem als een perfect middel om zijn partij te ontdoen van het stoffige solidariteitsdenken en als wapen om de partij te verzakelijken.
De satirische roman van Bottema weerspiegelt de angst die oudere leraren in de praktijk voelden bij alle discussies over de lumpsum, die zij als een bedreiging ervaarden, omdat zij op grond van hun dienstjaren niet meer vrij zouden kunnen overstappen naar een andere school. Tegelijkertijd geeft de roman weer het beeld van het kleinzielige lerarenwereldje, allergisch voor vernieuwingen, en wordt, net als bij Jan Siebelink, het onderwijsjargon gehekeld, Zoetermeerse ambtenarentaal als ‘kwaliteitsimpuls’, ‘doelmatigheid’, ‘rendement’, ‘kwaliteitsstandaarden’ en ‘vitale injecties’.
Schrijver, leraar Nederlands en voormalig medewerker bij de Stichting voor de Leerplanontwikkeling Jan de Zanger (1932-1991) heeft enige romans geschreven die zich in het onderwijs afspelen. Zijn onderwijsverhalen zijn met prijzen bekroond; niet in Nederland, maar in landen als Duitsland en Denemarken, waar hij een populair auteur was. Ook zijn de boeken van Jan de Zanger lang op de leestlijstjes van leerlingen te vinden geweest en zijn op internet nog steeds uittreksels van zijn romans te downloaden. In de roman ‘De fietser’ (1982) beschrijft Jan de Zanger de lotgevallen van leraar Nederlands Bert den Hertog. Deze leraar vindt geen enkele bevrediging meer in zijn vak
Het benauwde hem iedere keer weer dat hij dat nog 23 jaar vol zou moeten houden. Dat hij nog 23 jaar de vriendelijke, begrijpende leraar zou moeten spelen tegen leerlingen die hij minachtte omdat zij niet eens in staat waren een dictee zonder fouten te schrijven, omdat ze altijd weer twijfelden of Vondel nu in de 17e of in de 16e eeuw geleefd had.
Soms wordt het hem allemaal te veel en gaat hij maar een eind fietsen. Bert gaat fietsen wanneer hij tegen een nieuwe schooldag opziet, of tegen de loze gesprekken in de docentenkamer. Bert fietst zijn zorgen van zich af. Maar echt helpen doet het niet, de zorgen en twijfels blijven aan hem knagen. Af en toe krijgt hij de aanvechting plotseling een flinke ruk aan zijn stuur te geven en zich onder een aanstormende vrachtwagen te werpen. Een buitenechtelijke affaire houdt hem op de been. Iedere avond na het eten zoekt hij zijn zolderkamer op
Correcties, zegt hij dan tegen zijn vrouw, of lessenvoorbereiding. Maar aan voorbereiding had hij al een jaar niks meer gedaan en schriftelijk werk keek hij altijd op school na, terwijl hij de klas aan het werk zette. Hij had altijd maar wat voor zich uit zitten staren of in een boek zitten bladeren dat hem eigenlijk niet interesseerde, maar waar hij toch over mee moest kunnen praten, al was het alleen maar omdat een leerling het op zijn lijst gezet had.
Veel aandacht wordt in ‘De fietser’ besteed aan de destijds actuele kwestie van leraren die zich wilden laten afkeuren, de WAO in en op die manier verlost te worden van de hel van het onderwijs.
Ook leraar Bert fantaseert daar wel eens over.
Op school was het populair geworden je af te laten keuren. Toen een collega van 58 compleet amok gemaakt had en na een paar maanden arbeidsongeschikt verklaard was, waren een paar anderen begonnen zich hardop af te vragen hoe ze dat ook klaar konden spelen. Je kon weigeren met de anderen samen te werken en je op die manier onmogelijk maken, je kon de een of andere oncontroleerbare kwaal krijgen. Het was er twee gelukt een zodanig overspannen indruk te maken dat ze nu minder lessen hoefden te geven en toch bijna hun hele salaris opstreken.
In de roman ‘De fietser’ wordt ook de omgang met de problematiek van voortijdig schoolverlaters aan de orde gesteld.
De auteur van deze roman, Jan de Zanger, vertrok in 1991 in zijn eentje naar Denemarken, zijn favoriete vakantieland, om even op krachten te komen in de mooie natuur van dat land. Eenmaal in Denemarken maakte hij een boswandeling en verhing zich aan een potige boom. Naar zijn motieven wordt nog steeds gegist; misschien liggen die wel in ‘De fietser’ verscholen. Sindsdien leeft Jan de Zanger bij cynische collega-schrijvers ook wel voort als Jan de Hanger (bron: Martin Ros/Jeroen Brouwers).
Ambitieuze leraren, ze zijn er wel in Nederlandse onderwijsromans, maar je moet erg goed zoeken. Doorgaans handelen de romans over leraren die hun tijd zo onbeschadigd mogelijk proberen uit te zitten. De Haagse schrijfster Nicolette Smabers beschrijft in haar verhalenbundel ‘Portret van mijn engel’ (1987) de frustraties die men als onderwijsgevende kan opdoen door een leidinggevende die de vernieuwer wil uithangen:
Wij verstonden elkaar niet, zoals dat heette in de termen van het middelbaar sociaal-pedagogisch beroepsonderwijs. En met mijn kritiek op zijn voorkeur voor kringgesprekken, thema-onderwijs, projecten, het verkleinen van de afstand tussen onderwijsgevende en onderwijsontvangende vond ik – ook bij de collega’s – weinig gehoor. Daar kwam nog bij, dat ik was aangesteld voor een vak dat nauwelijks meetelde in het middelbaar sociaal-pedagogisch beroepsonderwijs (het vak Nederlands).
De lerares uit het verhaal van Nicolette Smabers vertegenwoordigt het prototype onderwijsgevende die men ook in de romanliteratuur aantreft: die van de enthousiaste leraar met hart voor het onderwijs, de leerkracht die tegengewerkt wordt door schoolleiding of collega’s, en die steeds opnieuw oploopt tegen een muur van onwil van de omgeving, of starre regeltjes, niet van het ministerie, maar van de schoolleiding of koepelbesturen.
In de onderhoudende roman ‘P.Pythagoras’ (1981) van schrijver H. Flipse, over de probleemwereld van een stotteraar, volgen wij de middelbare schoolloopbaan van Adri Lichtenberg. Hij worstelt onder meer met het vak Frans, een taal die hij nauwelijks serieus neemt. Gelukkig voor Adri denkt de vaklerares er net zo over
Zij had het verbluffende vermogen om op de klas geruisloos het besef over te brengen, dat het middelbaar onderwijs een ongelukkige instelling was, waar je nagenoeg niets kon hopen te leren, en dat het daarom het beste was om alles zo gelaten mogelijk over je heen te laten gaan.
Sommige leraressen schrijven zaken op het schoolbord, waarbij zij soms even in een leerboek turen, en daarbij schaapachtige blikken de klas inwerpen, met een uitdrukking van ‘wat ben ik toch dom, hè?’
Ook in deze roman aan karikaturen geen gebrek. Minder nonchalant dan de lerares Frans is de leraar Duits:
De ontoegeeflijkheid van de leraar was namelijk van dien aard dat hij iedereen de stuipen op het lijf joeg. Van het moment dat zijn bullebaksgezicht in de deuropening verscheen, hing er een elektrische spanning in de klas. Wie door hem bevolen werd te spreken, waagde het niet zijn mond dicht te houden. Het antwoord, hetzij goed of fout, werd eruit geperst door de spanning, of als in een toestand van hypnose. Niemand was geheel zichzelf onder de Duitse les, gebruikelijke eigenschappen leken te zijn opgeschort.
Bijna achteloos staat op de achterflap van deze roman: ‘de schrijver is in de meest uiteenlopende functies werkzaam geweest, ook in het onderwijs’. De roman wordt door de uitgever dan ook van harte aanbevolen ‘aan hen die in het onderwijs werkzaam zijn’ en mensen die begaan zijn met lot van stotteraars.
De verhalenbundel ‘Jonge modinettes’ (1995) van schrijver en leraar Paul Meeuws speelt zich af aan een school voor middelbaar beroepsonderwijs (tegenwoordig regionaal opleidingscentrum – roc – geheten), met een hoge populatie aan allochtone leerlingen. De verhalen gaan over leraren, over leerlingen, over de thuissituatie van de leerlingen, hun ouders, het schoonmaakpersoneel.
In het verhaal ‘Booglassen’ ziet de oudere leraar techniek Crijns zich geconfronteerd met een stelletje ongeregeld. Om orde te houden werpt Crijns zware hamers door de klas. ‘Ik word oud’, denkt Crijns, ‘ik word omringd door gespuis en ik merk niks!’
Op zekere dag komt er een meisje in de klas, een brutaal kind met zo’n sterke uitstraling dat zelfs de ruige jongens haar leiderschap respecteren, zij laten zich zonder al te veel verzet imponeren door haar bravoure, tot haar overwicht op de klas Crijns te veel wordt. Als Crijns haar eens uitscheldt omdat zij butsen in een staalplaat heeft gehamerd, gooit zij haar werkstuk op de vloer en schreeuwt ‘doe het dan zelf!’ Crijns raakt erg gecharmeerd van haar, zijn oudemannenlibido komt onverwachts tot leven. Steeds zoekt hij het meisje op, waarbij hij ongewenste intimiteiten als een verrassend rendabele lesmethode hanteert
Alleen door zo goed haar best te doen dat ze zijn correcties niet meer nodig had, kon het meisje haar lasleraar bij zich vandaan houden. Telkens als hij haar werk wilde komen bekijken, was zij er al mee klaar. Zij werd zijn beste leerling.
Maar net zo plotseling als zij verscheen, verdwijnt het meisje weer en stroomt als voortijdig schoolverlater de arbeidsmarkt op, zonder diploma, ‘alsof die hele lasmanie van haar maar een gril was die niet bij haar paste’. Sindsdien gebruikt Crijns haar werk als voorbeeld voor andere klassen en bewondert met terugwerkende kracht en weemoed haar vaardige hand.
‘Jonge modinettes’ kan worden beschouwd als een van de zeldzame positieve en daarnaast ook nog eens heel realistische verhalenbundels over het onderwijs uit de Nederlandse literatuur. Uitermate geschikt als relatiegeschenk!
In de roman ‘Afgebrand’ (1995) van Rob Groenhof wordt met veel kennis van onderwijskundige zaken een gedwongen fusie beschreven tussen een school voor voortgezet onderwijs en beroepsonderwijs tot een grote scholengemeenschap. Die fusie heeft nog heel wat voeten in de aarde, omdat er grote weerstand bestaat tegen het beroepsonderwijs. Op een roerige fusiebijeenkomst schreeuwt de speekselspuwende directeur van het voortgezet onderwijs de befaamde woorden:
‘het beroepsonderwijs een verrijking? Een verrijking? Verloedering zult u bedoelen! Ik moet dat schorriemorrie niet op mijn school!’
De docenten zien de fusie met angst en beven tegemoet, zullen zij hun plek nog wel kunnen behouden in de nieuwe school? Met schuin oog loert men op de docente van het overbodige en belachelijke vak textiele werkvormen:
De collega’s zagen liever dat ze opdonderde naar Ede, omdat ze met haar twaalf dienstjaren een hoge plaats op de afvloeiingslijst innam.
Vergaderingen over de fusievoorbereiding lopen steevast uit op geklaag en weerstand, tot grote ergernis van de directeur:
vergadering met het voltallige stelletje lamzakken, zowel het OP als het OOP, met hun geklaag en gezeur over rechtspositie. Collegialiteit was ver te zoeken bij hem op school.
Tot overmaat van ramp krijgt hij te maken met leerkrachten die zich om de haverklap ziek melden, waardoor hij, ondanks zijn drukke agenda, zelf de lessen moet overnemen.
Een en ander leidt gaandeweg tot verloedering van de directeur, die aan de drank raakt, thuis met groeiende ergernis zijn ouder wordende vrouw bekijkt, op sportvelden naar jonge schoolmeisjes loert en uiteindelijk buitenechtelijke troost zoekt tussen de milde borsten van een veertien jaar jongere docente, die hem overigens afwijst.
In ‘Het verkeerde gezicht’ (1975) van schrijfster Carole Vos figureert een ook al niet zo standvastige lerares aardrijkskunde, Rosa: ‘niet geliefd, niet opgemerkt eigenlijk, en daarom ook niet zo gepest door de leerlingen. Goed salaris, op zichzelf levend, geen echte vrienden. Geen man ook.’
Toch heeft deze lerares een groot geheim, een geheim met hoofdletters.
Zij Was Met Een Man Naar Bed Geweest. Een lerares aan een middelbare school moest toch weten waar haar leerlingen het over hadden.
Zij gebruikt op aandringen van haar minnaar ook drugs
Een lerares diende op de hoogte te zijn.
Uiteindelijk pleegt deze lerares zelfmoord door in een sloot te springen. Nauwelijks opgemerkt eigenlijk.
Lerares Rosa had geen enkele ambitie in het onderwijs. Zij wilde lesgeven en verder anoniem zijn, zonder boodschap te hebben aan emancipatieprogramma’s die zouden moeten leiden tot het doorstromen van vrouwen naar hogere banen in de onderwijssector.
Iets vergelijkbaars komen we tegen in een roman van Marijke de Bruijne, ‘Als het op werken aankomt’ (1993). Marijke de Bruijne publiceerde verder gezellige damesromans als ‘De zee neemt het mee’ en christelijke lectuur als ‘Als appelbloesem in de winter bloeit de vrede’.
‘Als het op werken aankomt’ is het verhaal over een vrouwelijke conrector die door de vertrekkende rector wordt gevraagd te solliciteren naar zijn vrijvallende plek. Zij voelt zich gevleid, maar begint door de druk die van alle kanten op haar wordt uitgeoefend deze kans te grijpen (ook vanuit het thuisfront: ‘dit heb je altijd gewild’, roepen man en kinderen in koor) hevig te twijfelen. Wil zij eigenlijk wel?
Zij heeft het reuze naar haar zin als conrector, ze geniet van de contacten met de leerlingen die zij als rector zou moeten missen en bovendien: ‘ze heeft het al druk genoeg met alle stukken die vanuit Zoetermeer op haar bureau belanden’. En zou ze nog wel tijd overhouden voor haar favoriete liefhebberij, tuinieren (‘het ordenen van mijn innerlijk landschap’), of ’s avonds gezellig naar de televisie kijken?
Ook maakt zij zich grote zorgen om haar zoon, die een studerende vrouw heeft, wat haar eigen dilemma nog eens versterkt: hoort een vrouw niet gewoon bij man en kinderen te zijn in plaats van een carrière na te streven? Ze overweegt zelfs ‘maar weer gewoon lerares geschiedenis te worden om van alles af te zijn’.
Waar mannelijke leraren in Nederlandse romans soms tot onbezonnen daden komen of zich te buiten gaan aan alcohol, daar ontpoppen leraressen zich vaak tot geboren piekeraars. De roman van Marijke de Bruijne heeft dan ook als ondertitel: ‘een boek over vrouwenkeuzes’.
Een lerares die ook al graag in haar (moes)tuintje vertoeft, is Loes van der Doelen uit de novelle ‘De ijsdragers’ (2002, boekenweekgeschenk) van Anna Enquist. Loes is lerares oude talen en vertaalt in haar vrije tijd werk van Tacitus. Haar man Nico is de nieuwe directeur van een psychiatrisch centrum, waar hij stevige reorganisaties wil doorvoeren, en er op breed verzet stuit. Nico is niet iemand die zich laat tegenhouden, niet door de ondernemingsraad, niet door de Raad van Toezicht. Hoe anders is Loes, die in de novelle als een timide, stille vrouw wordt afgeschilderd, iemand die soms ‘was ik maar dood’ denkt. Daar is ook alle reden toe: haar huwelijk met Nico verkeert in een ernstige crisis sinds hun geadopteerde dochter Maj is weggelopen en zij elkaar een zwijgplicht over hun verdwenen dochter hebben opgelegd. Hoe dramatisch dit gegeven ook mag zijn, alweer wordt een lerares verbeeld met een zwakke wil, iemand van wie je je nauwelijks kunt voorstellen dat zij zich voor de klas staande kan houden.
(Anna Enquist)
Na de kerstvakantie raakt Lodesteijn meer en meer in de greep van een buitengewone somberte, een licht- en luchtloze treurigheid waardoor alles om hem heen vervluchtigde en het gevoel insloop klinisch dood te zijn. Of hij zichzelf als leraar overleefd had en vanachter zijn eigen grafsteen toezag op wat hij voor de klas stond te gebaren.
Zo beschrijft Levi Weemoedt de toenemende desintegratie van leraar Lodesteijn in zijn roman ‘De ziekte van Lodesteijn’ (1986).
Iets soortgelijks overkomt Paul de Wit, het hoofdpersonage uit de roman ‘La Place de la Bastille’ (1982) van Leon de Winter. Leon de Winter beschrijft perfect het proces van sluipende desintegratie bij een leraar geschiedenis, door De Winter ‘manifeste vertwijfeling’ genoemd, het verliezen van interesse voor het beroep, het vervreemden van de leerlingen en collega’s
In de periode van de manifeste vertwijfeling begon mijn werk mij te irriteren. Het werd me steeds duidelijker dat geen woord over het verleden ook maar de geringste zin had. De leerlingen staarden me stompzinnig aan, scheen het me toe, niets bleef in hun poreuze hersenen hangen, blind zouden ze de toekomst betreden zoals ze blind het verleden hadden aangegaapt. Met moeite sleepte ik me ’s ochtends naar school, huiverend voor de lege uren die op me wachtten, en ik probeerde met de moed der wanhoop mijn desinteresse te verbergen. Repetities, schoolonderzoeken, scripties, ik wilde ze opheffen omdat de getoetste kennis tot niets leidde.
De Wit wordt apathisch, brengt zijn avonden ten slotte zoet met het wezenloos staren naar videofilms en het zich afreageren op zijn vrouw en kinderen, tot een buitenechtelijke affaire hem weer tot leven wekt. Nieuwe motivatie voor zijn werk als leraar levert dit echter niet op
Het nieuwe schooljaar werd een gruwel. De machtsstrijdjes onder het docentenkorps barstten weer in volle hevigheid los. Mijn collega’s probeerden na de rustpauze van de zomervakantie, die zij blijkbaar hadden benut voor het herlezen van Machiavelli, hun positie en invloed te vergroten, en al spoedig werd de grote docentenkamer opnieuw gesplitst in terreinen voor de verschillende kongsi’s.
Het lot van Paul de Wit kan model staan voor veel romanleraren: om te overleven, gaan zij een verhouding aan, soms met een collega, soms met een leerling, zodat ze, naast het intieme liefdesgeluk, ook een eigen mini-kongsi kunnen vormen tegen de boze wereld van de school en het onderwijs in algemene zin. Men heeft er al een aantal jaren in het onderwijs op zitten, men weet met moeite te overleven in de benauwde en beklemmende sfeer van de docentenkamer, en thuis gaat ook niet alles jofel. Niet eens tussen de regels door wordt er in deze categorie romans geklaagd over het onderwijs, over de desinteresse van de hedendaagse schooljeugd, de vermeende Nederlandse neiging het onderwijs af te stemmen op het steeds lager wordende beginniveau van leerlingen.
Een enigszins afwijkende roman is ‘Een storm in je hoofd’ (1998) van Margreet van Hoorn, geschreven in samenwerking met Lodewijk van Rijkevorsel.
Het is het verhaal over de jonge leraar Nederlands Peter van Dillenburg, die in dienst treedt van het Martin Luther King College voor middelbaar onderwijs in Alkmaar. Peter begint de eerste dag van zijn leraarloopbaan voortvarend
Ik wil de eerste les van het jaar beginnen met iets, wat naar mijn smaak duidelijk maakt waarom onze Nederlandse taal even zeer de moeite waard is om te spreken dan het Engels of welke andere taal dan ook.
Reeds na afloop van de eerste les fluisteren twee schoolmeisjes uit de klas elkaar toe (de roman kent hele sprankelende, eigentijdse dialogen):
‘Wat is hij leuk, hè?’
‘Bedoel je hoe hij eruitziet?’ fluisterde haar vriendinnetje.
‘Ja, hij kleedt zich tenminste modern, dat zie je niet veel op school’.
‘Vind ik ook.’
‘Dat roze overhemd, mieters vind ik dat.’
‘En heb je zijn schoenen al gezien?’
‘Nee, die kon ik niet zien vanaf mijn plaats’.
‘Dat zijn echte merkschoenen, heel sportief, jôh.’
‘Staat goed bij die spijkerbroek van hem’.
Peter geniet van zulke leerlingen, hij acht zich een bevoorrecht mens leraar te mogen zijn voor zo’n fijne klas
Kinderen zijn een niet te stelpen bron van inspiratie. Soms kon hij bijna in trance staren naar het nog zo gave gezicht van een leerling uit de brugklas: naar een wang waar de zon op viel, naar een haarlok die voor een voorhoofd hing, naar een stem die fluisterend voorbijzweefde.
Behalve lesgeven doet Peter ook gezellige spelletjes met zijn leerlingen. Zo organiseert hij een jongens- en meisjescompetitie handjedrukken. Ook in het lesgeven heeft hij een handige aanpak ontwikkeld. Om de leerlingen interesse voor Nederlandse literatuur bij te brengen, doorgaans een zware opgave, gebruikt hij cabaretteksten als bruggetje. Via een sketch van Harry Jekkers over dementie stapt hij over naar de roman ‘Hersenschimmen’ van J. Bernlef.
Zijn methode heeft succes. Over zijn aanpak houdt hij op uitnodiging workshops tijdens een symposium ‘betreffende het talenonderwijs in de bovenbouw van het voortgezet onderwijs’ aan de Hogeschool Arnhem. Hij weet zijn collega-leraren uit het hele land te overtuigen en wordt door een uitgever zelfs gevraagd zijn aanpak in boekvorm te publiceren.
Tussendoor wordt hij vader; zijn vrouw Lise schenkt hem twee prachtige kinderen. Maar hoe rechtschapen Peter van Dillenburg ook is, wat wil je ook met zo’n achternaam, God schiep nu eenmaal naast Adam ook nog Eva en hij bezwijkt voor de ‘volle rondingen en fraaie lichaamslijn’ van zijn leerlinge Elsa.
Helaas merkt hij na enige jaren dat hij minder plezier begint te beleven aan het lesgeven. Zijn sectiehoofd weet wel hoe dat komt:
‘Op den duur ga je inleveren, omdat je gewoonweg ouder wordt. In de praktijk komt het erop neer dat het beginnend enthousiasme plaatsmaakt voor routine. Met andere woorden, de leraar wordt een lesboer’.
Ook Peter is ten prooi gevallen aan de routine, het gesprek met het sectiehoofd maakt hem nog moedelozer. Hij kan niet voorkomen dat zijn tegenzin in het werk zo groot wordt, dat het ook voor de klas merkbaar wordt. De rit naar school, ooit een bron van vreugd, wordt een grote last
hij speelde een leraar die gedreven met zijn vak bezig was, hij speelde de komediant die altijd plezier had in zijn lessen, hij speelde de altijd blije collega. De dagen op school matten hem zo af dat hij soms met hoofdpijn de laatste uren voor de klas stond en de verdere dag met die hoofdpijn bleef zitten.
Hij krijgt lichamelijke klachten en lijdt aan slapeloze nachten. Uiteindelijk stort hij in. ‘Elke gedachte aan onderwijs maakte hem opnieuw onrustig. Zelfs de artikelen in de krant met onderwijs als onderwerp sloeg Peter over’.
De bedrijfsarts houdt hem voor:
‘Het onderwijs wordt er niet gemakkelijker op de laatste jaren. Ik hoef u niet te vertellen dat het ziekteverzuim onder docenten tot de hoogste behoort van het land. Ik stel voor dat u voorlopig thuisblijft’.
‘Creativiteit en het leraarschap zijn onverenigbaar’, luidt de diagnose in deze roman, maar toch kan Peter uiteindelijk, met behulp van de bedrijfsarts en zijn kortstondige liefje Elsa een creatieve oplossing verzinnen om zijn noden te verlichten: hij geeft bijles aan huiswerkklassen, ’s avonds geeft hij onderwijs in bejaardentehuizen (zie daar ‘een leven lang leren’!) en legt hij ook nog een verbinding tussen het Martin Luther King college en het Stedelijk Museum van Alkmaar, waarvoor hij exposities voor basisscholen organiseert. En zo eindigt de roman in de stijl die we van Van Hoorn gewend zijn:
Hij voelde sterker dan ooit hoe gelukkig hij was. Hij begon onbewust sneller te fietsen om zo snel mogelijk thuis te zijn en zijn hand om het warme lichaam van Lise te kunnen slaan en zijn hoofd, eindelijk tot rust gekomen, in de stilte van haar borsten te kunnen neerleggen.
‘Een storm in je hoofd’ is een van de weinige romans, waarin een leraar na een ernstige inzinking overeind weet te krabbelen, en dat is in de Nederlandse literatuur al een verdienste op zich! Opvallend is ook dat Peter van Dillenburg een op de leerlingen gerichte leraar is, hij sluit zijn didactiek aan op de belevingswereld van de leerlingen, dit in tegenstelling tot veel andere leraren in Nederlandse romans, die sterk op zichzelf gericht zijn, introverte types vol levenswalging.
Vergrijzing in het onderwijs is een thema in de korte roman ‘Het Pentagon, afdeling Galgenveld’ (1996) van F.J. Boelens. Boelens is naast schrijver ook (gepensioneerd) leraar Nederlands, o.a. aan het Stedelijk Lyceum van Enschede.
Het Pentagon is een van oorspong roomse school, maar verkwanseld aan het openbaar onderwijs, en wordt geleid door de bevallige rectrix Iris Hartlieb
Op haar bureau lag het laatste nummer van ‘Directoire’, het blad voor Vrouwelijke Schoolleiders. Er stond een artikel in van dra. A. Janneman, ‘De vergrijzing in onderwijsland: een socio-geriatische verkenning’. Janneman deed de aanbeveling de scholen tijdig te voorzien van aanpassingen voor de senioren, zoals een stoellift langs de trapleuningen, een ringlijn voor gehoorgestoorden en rolstoelvriendelijke voorzieningen. Zij zou het in het eerstvolgende overleg van de kerndirectie eens aankaarten.
De leraren van het Pentagon worden op karikaturale wijze neergezet. Zo is daar leraar Krijgsman, die voortdurend in zijn kruis grabbelt. Tijdens een voorlichtingsdag op school verbijstert Krijgsman een volle zaal door tijdens zijn voordracht langdurig ‘met zijn knikkers te spelen’. Opnieuw een trieste parade van leraren die grote landerigheid uitstralen, en die pijnlijk contrasteren met de frisse, bevlogen rectrix, die van alles verzint om het niveau van haar team een beetje op peil te houden. Soms neemt Iris haar docenten mee voor een middagje zwemmen, bij wijze van teambuilding, aanleiding voor anekdotes als ‘leraressendijen als blauwe kazen’ en verdachte luchtbellen in de zwembroekjes van leraren.
Niet op alle scholen gaat het er zo vrolijk aan toe, want
Onderwijs is niet om te lachen
zo staat het in ‘En dan is er koffie!’ (1976) van Hannes Meinkema, een beroemde roman die zich grotendeels op een Amsterdamse middelbare school afspeelt.
De roman van Meinkema munt uit in cynisme. Leraressen hebben een hekel aan elkaar en aan vrouwelijke leerlingen, zoals lerares Rosa, het hoofdpersonage, die een alternatieve cijfermethode heeft ontworpen om een vrouwelijke collega te pesten:
‘ik geef jongens altijd een acht, en als ze koffie voor me halen een negen, en meisjes krijgen alleen een voldoende als ze mooi zijn. Want cijfers zijn de sacrosancte basis van het onderwijs, als je daarmee de spot drijft op deze school bedrijf je blasfemie.’
Rosa verlangt tijdens de les voortdurend naar koffie en een sigaret. Ze geeft haar leerlingen leesbeurten, maar ergert zich aan de onkunde van haar leerlingen, zoals de moeilijk lezende Tanja
Schiet op, Tanja, teef met je vochtige slijmogen, ik wil koffie. Soms haat ze haar leerlingen, maar altijd haat ze haar collega’s nog meer. Er is dus nog hoop.
Van haar collega’s moet ze het niet hebben, leerkrachten zonder enige bezieling, zonder niveau
Domheid is niet erg, maar middelmatigheid krabt aan je. Middelmatigheid is een vloek.
Geen wonder dat Rosa vaak ruzie heeft, zoals met collega Jan:
Jan. Zo’n klootzak, daar zou zelfs een heilige nog ruzie mee krijgen. Eerst die volstrekt ontoetsbare havo-toets er doordrukken, en alle vierdeklassers onvoldoende geven omdat een spelfout, dat begrijp je toch Rosa, even zwaar moet wegen als een andere fout, en haar dan medelijdend aankijken als ze begint te schelden. Wat word je toch emotioneel, Rosa. Alsof dat iets verwerpelijks is, emotionaliteit. Iets vrouwelijks of zo. Zes kinderen heeft ie, Jan met z’n dikke buik en z’n MO-discipline. Wat een misselijkmakend idee. Mensen die ze haat neuken niet, geen sprake van.
De cynische leraar geschiedenis Charles Perceval Nijdrecht uit de roman ‘De gave van Luxuria’ (1989) van Allard Schröder spoort niet helemaal. Nijdrecht is invalkracht op scholen en internaten. Hij voelt grote weerzin bij het nakijken van het huiswerk van zijn leerlingen, omdat het hem confronteert met zijn eigen mislukte loopbaan als briljant historicus. Alleen kneuzen worden leraar. Uit haat tegen het leraarschap vreet Nijdrecht zich tot een papzak en jaagt iedereen tegen zich in het harnas met zijn cynisme. Om nog enig plezier in zijn leven hebben, heeft hij een gat geboord in de muur van zijn woonkamer om zijn buurmeisje Esther (‘die slet’) te kunnen begluren.
Zo zijn de manieren van leraren in Nederlandse romans.