JAN CARTENS

Gelezen: ‘De ontdekking van Venus’ van schrijver en ex-leraar Jan Cartens (foto), van wie ik eerder de thematisch verwante roman ‘De verleiding’ las.
‘De ontdekking van Venus’ (2005) is eigenlijk hetzelfde verhaal. Opnieuw stort een jong Jancartensmeisje een leraar in een crisis. Hans Schalcke, een 40-jarige docent  aan de kunstacademie in Den Haag, ontvangt een ansichtkaart van jeugdvriendin Marleen, met een afbeelding van het provincieplaatsje waar Schalcke is opgegroeid en waar zij is blijven wonen en er de boekhandel van haar ouders heeft overgenomen. In een impuls besluit Schalcke met de auto naar het plaatsje te rijden, waar hij Marleen na vele jaren weer ontmoet. Zij rijt oude wonden bij hem open, verwijt hem al direct dat hij nog net zo ontwijkend is als vroeger.
Marleen blijft echter contact met hem zoeken, probeert de vriendschap van vroeger weer aan te halen, ondanks de afstandelijkheid die Schalcke instinctief probeert te bewaren.
Marleen blijkt weduwe en alleenstaande moeder te zijn van de onhandelbare 17-jarige Dorien, die in het regulier onderwijs is mislukt en nu lessen volgt in een internaat, waar zij echter vaak spijbelt. Marleen vraagt Hans of hij zich niet over haar dochter wil ontfermen, als levenswijze docent. Misschien luistert ze wel naar hem, waar alle pogingen van de moeder zijn gestrand.
Wat volgt is een spannend beschreven scenario: Marleen die haar dochter als lokaas inzet om haar oude jeugdvriend weer haar leven binnen te trekken, de dochter (een vaderskindje) die het verleidelijke vampje speelt en Hans gebruikt om aan haar veeleisende moeder te ontsnappen. Hij wordt zo speelbal wordt van moeder en dochter. De clou verklappen doe ik niet, wel lijkt de moraal: niemand rijdt ongestraft een scheve schaats.

4 October 2008
By on 20:10
MEESTER VISSER

Onlangs verschenen: de roman ‘Visser’ van Rob van Essen (foto), over geschiedenisleraar Jacob  Visser die is geschorst & met ziekteverlof gestuurd omdat hij tijdens een les een verkeerd uitgevallen uitspraak heeft gedaan over kampgevangenRvanessenen en kampbewakers. Iets van: als ik mocht kiezen, was ik liever bewaker dan gevangene. Met die uitspraak gaan rechts-extremistische leerlingen aan de haal, die in Visser hun held zien. Vooral Jonathan Wegereef, zoon van de hoofdredacteur (Bert Wegereef) van de lokale krant, die een Hitlersnorretje heeft laten groeien en daarom eveneens van school geschorst is, brengt Visser in moeilijkheden. Het verhaal speelt zich af in een fictief provinciaals plaatsje, dat ik ergens in Overijssel of Gelderland situeer gezien de namen Vlasveld en Zwolsdrecht. Alles en iedereen kent elkaar, iedereen weet wel iets van elkaar. Die sfeer. Het is de verdienste van Rob van Essen dat hij de problematiek van rechts-extremisme onder scholieren in de Nederlandse literatuur introduceert. Zo verbaast het leerling Jonathan dat de school er ieder jaar weer in slaagt in de aanloop naar de 4 mei herdenking een bejaarde verzetsstrijder voor de leerlingen een verhaal te laten houden over de oorlog. Al dat gelul over de oorlog, vindt Jonathan, bovendien: iedereen die de oorlog nog heeft meegemaakt hoort toch al lang dood te zijn? 
Ook de jeugdcultuur van msn’en, chatten, Internet, Hyves etc stelt Van Essen tussen de regels door aan de orde. Kranten lezen doet de jeugd niet meer, alles halen ze van Internet. Dat de informatie daar niet betrouwbaar is, deert niet: alsof kranten wel betrouwbaar zijn, zo luidt de repliek van de jeugd.
Voor het overige krijgen we in ‘Visser’ ogenschijnlijk te maken met het clichébeeld van een leraar, die niets meer van zijn leerlingen begrijpt, die op school wordt uitgekotst door laffe collega’s, die labiel in elkaar steekt, wiens huwelijk een sleur is geworden, wiens dochter trouwt met een lapzwans van een jongen, de zoon van de lokale psychiater, en die als verdoofd door het leven gaat en er vreemde  gewoonten op nahoudt. Zo brengt hij zijn leerlinge Clarissa Wegereef (dochter en broer van) onder in zijn caravan als zij even behoefte heeft aan een schuilplaats. Als hij haar de volgende ochtend opzoekt in de caravan, slaapt Clarissa nog. Hij gaat aan het bed zitten, slaat de deken terug, observeert haar naakte lichaam en duwt zijn pink in haar anus.
Mooie leraar! Maar deze leraar heeft in het leven al het nodige te verduren gehad. Zo is hij nooit over de dood van zijn dochtertje Lila heengekomen, wat mooie passages oplevert. Het is iets waar ook de wetenschappelijke vakliteratuur over leraren over rept: leerkrachten lijken extra kwetsbaar, vergeleken met andere beroepen. Zodra er in de thuissituatie ook maar iets dramatisch gebeurt, heeft dit direct consequenties voor zijn werk op school en vice versa. Dat is ook wat leraar Visser aankleeft. De hele roman door wordt hij bespot en uitgedaagd, is hij slachtoffer en speelbal en zelden laat hij zich provoceren. Wat door zijn omgeving voor een pantser van ironie wordt aangezien, is in werkelijkheid een overlevingsmechanisme. Na de dood van je kind kan niets je nog raken, tenzij de naderende dood van een ander kind, waarna alle opgekropte emoties een uitweg vinden.


By on 19:39
PDF-versie oud

Download def_opmaak_onderwijs3.pdf

28 December 2007
By on 10:54
HET LERAARSCHAP ALS OFFER

Lehrer De meeste Nederlandse romans over het onderwijs en het leraarschap stellen niet het onderwijs centraal, maar – zoals te verwachten – het persoonlijke overleven van de leerkracht binnen ‘de jungle van de scholengemeenschap’. In veel gevallen wordt de schoolomgeving als vijandig ervaren, als een voortdurende strijd met de schoolleiding (Gaston van Camp schreef het zo in zijn roman ‘Het slappe geslacht’ – 1991: ‘hoe sulliger de  directeur, hoe florissanter de school!’) of als strijdig met de eigen idealistische belevingswereld over het onderwijs. In de literaire context is dit niet verwonderlijk: alleen door een probleemgerichte benadering kan een verhaal uitgewerkt en tot leven komen. Deze probleembenadering wijkt niet per definitie af van de praktijk van het leraarschap. Tijdens hun opleiding tot leraar hebben veel studenten een – vaak ongenuanceerd- optimistisch beeld over de eigen toekomstige rol in het onderwijs, hoezeer lerarenopleiders ook benadrukken dat het er de eerste jaren vooral op aankomt zich aan te passen, te socialiseren. Daarbij ontbreekt vanuit de schoolleiding soms iedere vorm van begeleiding: zowel uit onderwijsvakliteratuur als uit onderwijsromans blijkt dat de beginnende leraar het zelf maar moet uitzoeken, eenmaal voor de leeuwen geworpen moet men zijn weg in de ontwikkeling van beroepsvaardigheden en de relatie met de klas zelf zien te vinden. Vaak komt men tot de onthutsende conclusie dat het daadwerkelijk voor de klas staan volstrekt niet aansluit op hetgeen men op de lerarenopleiding geleerd heeft (de zogenaamde ‘praktijkschok’), bijvoorbeeld op het gebied van interculturele communicatie. Het eigen overleven staat in de eerste periode van het leraarschap dan ook vaak centraal. Een hel voor de leraar, een zegen voor de roman!

Verder zijn veel romans over problematische leraren verschenen in een periode van overwegende laagconjunctuur (1979-1985). Een periode van hoge werkloosheid (in 1984 het dieptepunt met 856.000 werkloze volwassenen, waaronder 30.000 (aankomende) leerkrachten en ongeveer 1,8 miljoen werkloze jongeren). Ingrijpende reorganisaties in het onderwijs stonden er aan te komen of waren reeds ingezet, die door veel onderwijskrachten als een bedreiging werden ervaren, zeker gezien de economische recessie die er gaande was. Door de onzekerheid nam ook de onderlinge wedijver met collega-docenten toe en daarmee nam het werkplezier en tevens de kwaliteit van het privé-leven zienderogen af. Door de wedijver hoefde men niet op steun van collega’s te rekenen.
Waar het in perioden van laagconjunctuur vaak zo is dat de belangstelling voor het leraarsvak weer toeneemt, daar wordt in veel romans over het onderwijs de indruk gewekt dat er eerder sprake is van een sfeer van ‘blijf zitten waar je zit’, ook al heb je het al lang niet meer naar je zin als leraar, wat het cynisme versterkt.
De lerarenpersonages uit de romans uit de periode 1975-1985 zijn vergroeid met het onderwijs, lesgeven is het enige dat zij kunnen (denken ze), van alle kwaden dan toch maar liever in het onderwijs blijven dan werkloos.
Na 1985 krabbelde de economie weer langzaam uit het dal, de werkgelegenheid nam geleidelijk aan toe, maar werklozen en oudere werkenden werden plotseling voorbijgestreefd door voornoemde jongeren die in de recessie bleven doorleren en nu redelijk tot hooggekwalificeerd de arbeidsmarkt opstroomden.
Kortom, een aantrekkelijke outline voor een schrijver die hier een dramatisch of tragikomisch verhaal over wil schrijven, maar tegelijk een eenzijdige, neerslachtige maar niet onrealistische weergave van de onderwijspraktijk. Dit alles is terug te vinden in de romans die over deze periode handelen (bijvoorbeeld bij Jan Siebelink, Cor de Hoon en Jan de Zanger). Tegelijkertijd moet worden gesteld dat deze karikatuur van de leraar onverwoestbaar lijkt, ook in moderne romans vervullen lerarenpersonages met verve hun rol van ongemotiveerde cynicus, bijvoorbeeld in ‘Daan en Hajar’ van Robert Anker (zelf leraar) uit 2004.
Daarnaast is er een aanzienlijke categorie onderwijsromans waarin leraren figureren die wél over vakenthousiasme beschikken, maar die van hun directeur of schoolbestuur geen ruimte krijgen of ronduit worden tegengewerkt of zich niet kunnen ontplooien door het bedompte schoolklimaat. Dat keurslijf kan overigens ook door de collega’s worden opgedrongen, leraren vormen in romans vaak een grauwe krabbenmand waar ambitie en hoogmoed worden afgestraft, of waar elkaar cynisme wordt aangepraat. 

Over het algemeen kan men dus stellen dat de meeste onderwijsromans ironisch of cynisch van aard zijn en dat geweeklaag en tandengeknars overheerst.
Onderwijsromans kennen soms een zeker afrekeningmotief. Dat verklaart het vaak zwartgallige karakter van deze romans. Hierbij valt op dat de meest wrange romans zijn geschreven door auteurs die in het onderwijs werkzaam zijn (geweest). Onderwijsvernieuwingen en –maatregelen vertalen zich dikwijls ook in romans, waarin de gevolgen voor het schoolpersoneel (met name leraren) worden geschetst. Waar de ene schrijver zich bedient van ironie (Simon Bottema, Cor de Hoon, Levi Weemoedt, Paul de Vaan), daar is het onderwijs bij andere schrijvers (Jan Siebelink, Jacques Kruithof) een te ernstige zaak om er een luchtig verhaal om heen te hangen; bij Siebelink is het leraarschap soms zelfs een zaak van leven en dood.
Andere schrijvers lijken zich te laten inspireren door de actualiteit, door de beeldvorming in de media over het leraarschap, het imagoverlies van het beroep van onderwijsgevende, en ontwikkelen zo sjablonen voor een romanpersonage, die door weer andere schrijvers worden overgenomen. Conjuncturele omstandigheden lijken daarbij vooralsnog niet van invloed te zijn: laagconjunctuur of hoogconjunctuur, imagocampagnes mogen (voorlopig) niet baten, literatuur kent zijn eigen wetten, het blijft tobben met de leraar, om in de woorden van Gerard Reve te spreken.

Nemen we het gemiddelde profiel van de leraar als romanpersonage wat nauwer onder de loep, dan kan worden gesteld dat de leraar als romanpersonage een weinig stabiel karakter heeft, dat het verloop van zijn carrière vaak een spiegelbeeld vormt van zijn privé-leven, dat wil zeggen: gaat het op school niet goed, dan is het thuis ook goed mis en vice versa, dat collegiale banden op school ontbreken, dat hij in alles waarin een mens tekort kan schieten tekort schiet, dat veel lerarenpersonages gevangen zitten in de driehoek eenzaamheid, schuld en angst, dat hij klagerig of kleinzielig van aard is, dat goed lesgeven zijn krachten te boven gaat, dat hij aan een minderwaardigheidcomplex lijdt of zich juist ver verheven voelt boven zijn collega’s, drankzuchtig is, seksuele problemen heeft en dat de leraren in onze romans opvallend vaak overspannen thuis zitten of juist van huis weggelopen zijn en zij niet zelden in een psychiatrisch ziekenhuis worden opgenomen.
Het onderwijs in zijn algemeen komt er in onderhavige romans niet al te goed van
af, waarbij vooral rechtstreekse omgevingsfactoren in het oog springen (let wel: het gaat hier om de beeldvorming in Nederlandstalige romans, in de echte praktijk gaat het er vanzelf heel anders aan toe…)

- Geringe loopbaanmobiliteit voor de individuele leraar;
- eentonigheid van het beroep werkt afstompend
- door de jarenlange eentonigheid kunnen leraren vernieuwingen niet aan
- leerkrachten worden door de leiding tegengewerkt; ambitie wordt gestraft
- dictatoriaal karakter van de schooldirecteur, vriendjespolitiek van het schoolbestuur
- duistere allianties tussen schoolbesturen en onderwijsinspectie
- omgang met mededocenten wordt bepaald door angst, wederzijdse minachting
- een grote kloof tussen oudere en jongere ambitieuze leerkrachten
- een sfeer van (onderling) wantrouwen op school
- het moedeloze gevoel op school heeft gevolgen voor het privéleven
- het zich door de politiek in de steek gelaten voelen

Kijken we naar de onderlinge relaties van leraren en hun zogenaamde ‘teamrollen’, we komen alle exponenten tegen: de initiatiefnemer, de structureerder, de onderzoeker, de humorist en de relativeerder, de bemiddelaar, de eeuwige optimist, maar vooral de disfunctionele rollen zijn sterk vertegenwoordigd in onderwijs- en lerarenromans: de agressor, de passieveling, de cynicus die er niet meer in gelooft en de negatieveling die aan alles een negatieve kant ziet.

In latere romans, waarin modernisering van het personeelsbeleid in het onderwijs aan de orde wordt gesteld, gebeurt dit overwegend ook met ironie of cynisme.
Dat je in het onderwijs zou groeien, komt zelden naar voren, integendeel: in plaats van dat het leraarschap als een dynamisch beroep wordt omschreven, treedt eerder het klassieke beeld naar voren van fuikwerking: in het lerarenvak kan men zich niet ontplooien, men loopt vast.
Deze romans hoeven overigens niets te zeggen over het onderwijsbeleid, soms zeggen ze meer over de onwilligheid van leerkrachten om mee te veranderen met een tijd die andere eisen stelt aan het lerarenberoep.
Situaties die in dergelijke romans aan de orde komen:
- personeelsbeleid in het onderwijs vergroot de kloof tussen de leerkrachten onderling
- een gevoel van machteloosheid. vernieuwingen worden doorgedrukt en gaan ten koste van de kwaliteit en de onderwijsinhoud
- vernieuwingsplannen worden met de nodige scepsis begroet door oudere leerkrachten
-  bezuinigingen tellen voor de overheid zwaarder dan alle mooie praatjes over ‘investeren in het onderwijs’

Het zijn eigenlijk dezelfde geluiden als die we kennen uit de media. Opvallend is wel dat die geluiden eerder in de onderwijsverhalen uit de Nederlandse literatuur te lezen waren, vooral geschreven door auteurs die zelf in het onderwijs werkzaam zijn (geweest). Zij geven daarmee dus, kort door de bocht gesteld, een niet onrealistisch, maar wel eenzijdig beeld van het beroep van onderwijsgevende.
Dat men zelden het tegendeel verneemt in de Nederlandse literatuur – bijvoorbeeld romans als ‘De gelukkige klas’ (1926) van Theo Thijssen – heeft vermoedelijk twee voor de hand liggende redenen. Een roman over een blije leraar met fijne schoolkinderen die altijd luisteren doet het misschien goed in bepaalde streken in Zeeland en op de Veluwe, als literair kunstwerk kan het onmogelijk iets voorstellen: een roman gedijt op een ontwikkeling, een conflict dat wordt overwonnen of verloren. Ten tweede: leraren die begaan zijn met het onderwijs, maar die met de pest in het lijf rondlopen door bijvoorbeeld de funeste uitwerking van het onderwijsbeleid op de praktijk van het onderwijs, en die ook nog eens bedreven zijn met de pen, zullen eerder hun ervaringen – al dan niet in romanvorm – te boek stellen dan leerkrachten die alles goed af gaat of die zijn geboren met een dikke huid. Een tevreden mens klaagt niet, een tevreden mens schrijft niet, zoveel wordt duidelijk uit de literaire beeldvorming over het Nederlandse onderwijs(beleid).

Men zou kunnen stellen dat het literatuurland wordt bewoond door vele Leo Prickjes: vaak dezelfde (niet per definitie onverstandige) argumenten, dezelfde bezwaren tegen het Nederlandse onderwijsbeleid. Bedenkingen tegen het studiehuis, tegen een onderwijs dat te kindvriendelijk is (ontelbaar de aanklachten in de recente Nederlandse literatuur tegen het ‘wat vind je er zelf van?’-onderwijs), tegen werkomstandigheden die getalenteerde leerkrachten op de vlucht doen slaan en het verzuurde deel van het lerarenkorps binnenboord houden. Verder: aanklachten tegen de onderwijsdeskundigen, tegen PvdA-ideologen en hun funeste onderwijsvernieuwingen, tegen wereldverbeteraars in het algemeen, tegen teveel tolerantie ten opzichte van moslimleerlingen die gebedsruimtes eisen op scholen en weinig respect opbrengen voor de Hollandse normen en waarden. Tegen onderwijs op religieuze grondslag, tegen zweverig onderwijs, tegen (verdere) uitholling van de alfavakken, en voor opwaardering van de humaniora. Vóór meer vrijheid voor scholen maar terughoudendheid waar het marktwerking betreft (zie de roman van Robert Anker, over een school die contracten aangaat met het bedrijfsleven, maar die contracten eenzijdig ziet opgezegd zodra er sprake is van economische tegenwind).
Na de softe jaren zeventig en tachtig, de jaren negentig die werden gedomineerd door schaalvergrotingsoperaties in het onderwijs, is het nu weer de tijd voor feitenkennis, en niet alleen maar het aanleren van vaardigheden en overweg kunnen met Internet. Weg met de vrijblijvendheid in het onderwijs! Het moet weer gaan om prestaties, de status van de leraar moet niet (langer) worden bedreigd door wispelturig onderwijsbeleid. Dat zijn de geluiden van de afgelopen zes jaar in de Nederlandse literatuur en hun woordvoerders (o.a. Jacques Kruithof, Willem Van Toorn, Piet Gerbrandy, Robert Anker).
Onderwijs in eigen taal en cultuur wordt in de laatste twee romans (2004) over het Nederlandse onderwijs (van Robert Anker en Jacques Kruithof) als een waanidee bestempeld, bedacht door wereldvreemde, halfzachte en linkse dwaalpedagogen. Kortom: we hebben literatuursociologisch gezien een hele waardevolle schat aan onderwijsromans; dat hele parlementaire onderzoek naar de onderwijsvenieuwingen had misschien niet eens nodig geweest als men al die romans eens goed gelezen had.

Hans ‘t Hoen
hans.thoen@wanadoo.nl

Leestip: Ton van Haperen, ‘De ondergang van de Nederlandse leraar’ (2007)

18 December 2007
By on 18:40
ALS LERAAR AAN DE SLAG, EEN MOOI BEROEP

Zo luidde nog niet zo lang geleden een reclameslogan van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, een boodschap die door de buitenwacht lang niet zo met hoon werd begroet als de campagne ‘Leraar, elke dag anders’.
Maar leraar een mooi beroep? Onze vaderlandse schrijvers schetsen in vele verhalen en romans over leraren toch een ander beeld. Joost Zwagerman bijvoorbeeld, zelf afkomstig uit een onderwijsmilieu, die in zijn roman ‘De buitenvrouw’ (1997) het beroep als volgt omschrijft:

Het leraarschap is een maatschappelijk aanvaarde vorm van regressie. Waarom, waarom dan toch gekozen voor het vak van leraar?

In het verhaal ‘Het seminar’ (1993) van Inigo Meerman wordt ronduit gesteld

Leraar is een beroep voor schlemielen geworden

Ook de befaamde pulpschrijfster Margreet van Hoorn, die na publicatie van haar vijftigste roman jubelde ‘ik begin pas met schrijven!’, meldt in haar roman ‘Een storm in je hoofd’ (1998):

creativiteit en het leraarschap zijn onverenigbaar.

Dat verklaart waarom zoveel leraren in hun werk vastlopen, aldus deze roman.
In de roman ‘Het slotfeest’ (2004) van schrijver en lerarenopleider Jacques Kruithof lezen we

Leraren zijn net sporters die de top niet gehaald hebben, en nu onder elkaar doen alsof het negende elftal, waarin ze wat lopen te sloffen, toch een soort top is.

In de beroemde, in onderwijskringen spelende roman ‘En dan is er koffie!’ (1976) van de destijds populaire schrijfster Hannes Meinkema wordt beweerd:

leraren neuken niet, dat weet iedereen!

Christiaan ter Winkel schreef het al in zijn roman ‘Mij dorst’ uit 1974, het relaas van een impotente leraar uit Zeeland met een Jezuscomplex. Clem Schouwenaars (ex leraar Nederlands) schreef het reeds in zijn romans ‘Baldriaan’ (1981) en ‘Een krans om de maan’ (1985), romans over vastgelopen leraren met een verstoorde viriliteit, leraren die vergeefs vechten tegen autoriteiten op school en de middelmatigheid van hun collega’s. In de roman ‘Baldriaan’ wordt een impotente leraar klassieke talen verlaten door zijn vrouw, die er met een fotograaf vandoor gaat. Uit verwarring gaat de leraar een eindje fietsen, maar hij verdwaalt, alleen de route naar en van school is hem vertrouwd. Hij blijft een jaar zoek en ontmoet in die tijd vele vrouwen, en zie: van dienstertjes tot gravinnetjes, allemaal bezwijken zij voor de plotseling opgeleefde viriliteit van de leraar klassieke talen. Moraal: verlaat het onderwijs, daar kan geen Viagra tegenop!
Van hetzelfde is de verhalenbundel ‘Lovina uit vissen’ (1993) van de van ellende naar Zuid Afrika geëmigreerde schrijfster Ingeborg van Geldermalsen, waarin een vrijlustige deerne de fout maakt na kroegbezoek met een leraar maatschappijleer naar huis te gaan. Zij heeft echter een onmachtige stier uit de wei getrokken. De leraar toont haar trots zijn zelfgetimmerde bedbak en doet haar omstandig allerlei technische details uit de doeken, zonder haar uit haar windselen te helpen, wat het hitsige meisje doet verzuchten:

‘leraren zijn kleurloze huismussen uit het jaar prik!’

Het best kan de stereotypering nog geïllustreerd worden met een citaat uit de roman ‘Karelische nachten’ (1989, bekroond met de AKO Literatuurprijs) van de Haarlemse schrijver Louis Ferron, het relaas van een aan lager wal geraakte leraar Duits:

In de spoelbak van het lerarentoilet hield ik altijd de fles drank verborgen. Niet om die pummels van leerlingen het hoofd te kunnen bieden, dat ongeïnteresseerde volkje ging mij niet aan. Het was eenvoudigweg zo, dat een ambitieloos leven naar mijn mening het beste met drank geleefd kon worden.

In dit citaat zitten evenwel drie relevante elementen vervat die regelmatig in andere romans terugkeren:

- het lerarenbestaan is uitzichtloos, hogerop klimmen kan niet
- de leraar is vervreemd van zijn beroep en zijn leerlingen
- leraren houden wel van een stevig glaasje 

Nog in 2001 schreef Kester Freriks (schrijver, leraar) in ‘Frikkie, go home!’

Ik dronk, iedere avond en nacht voor ik voor de klas stond, driekwart fles jenever. Want het leraarsbestaan is armzalig.

138 Het zijn niet de minste schrijvers die gefrustreerde leraren opvoeren langs clichématige beroepstyperingen en daaraan nog flinke literaire prijzen overhouden ook. In de roman ‘De tweede man’ (voorjaar 2000, genomineerd voor de AKO-literatuurprijs) van Doeschka Meijsing (ex-lerares Nederlands) komt alwéér een leraar voor die verslaafd is aan alcohol… En geen literair criticus die dat is opgevallen!
In oktober 2000 verscheen de lijvige roman van de niet bepaald als vrolijk bekend staande jeneverliefhebber en beroepsbrombeer Jeroen Brouwers, ‘Geheime kamers’, bekroond met de AKO Literatuurprijs en de Gouden Uil Literatuurprijs, over een aan de pillen verslaafde en tobberige ex-leraar in een zware identiteitscrisis. Alle elementen van de romanleraar komen weer terug: het onderwijs is een verkeerde beroepskeuze geweest en de aanleiding tot een zware psychologische dan wel midlifecrisis.
Cees Nooteboom schreef in 1991 het boekenweekgeschenk, ‘Het volgende verhaal’. Het oudere hoofdpersonage in deze novelle heet Herman Mussert en is leraar klassieke talen. Mussert wordt op zekere dag ’s morgens wakker in een hotelkamer in Lissabon, terwijl hij zeker weet dat hij de avond ervoor in Amsterdam in zijn bed is gestapt. Zoiets kan alleen een leraar in een Nederlandse roman overkomen!
‘Het volgende verhaal’ is de ‘geschiedenis van een depersonalisatie’, en zoals dat elders in deze beschouwing aan de orde komt, is dat typerend voor de karakterontwikkeling van een leraar in een Nederlandse roman. Dit type leraar lijdt aan een sluipende afbrokkeling van zijn persoonlijkheid, hij splitst zich op in diverse ‘ikken’, wat gepaard gaat met verlies van tijdsbesef, existentiële wanhoop en angsten, soms leidend tot chronische depressies, opname in een psychiatrisch ziekenhuis of zelfmoord.
Veel leraren in Nederlandse onderwijsromans vertonen een nogal labiele geaardheid. Zij zijn de achterblijvers in onderwijsland, gepest en getreiterd en zelf ook geduchte treiteraars, verstoken van iedere energie en motivatie, vol wrok jegens hun collega-leraren. Zij kampen met een negatief zelfbeeld of het tegendeel: grenzeloze zelfoverschatting. Voor de leraren van de laatste categorie geldt, dat hun onmetelijke kennis meestal niet evenredig is met hun vermogen om orde te houden, niet in de klas noch in het eigen leven. Zij willen graag voor losbol doorgaan, maar zitten muurvast in een identiteitscrisis. Het leven heeft soms een kwade hand in het lerarenbestaan, leraren in romans voelen zich vaak door het leven ingesloten; zij hebben spijt over hun besluit in het onderwijs te gaan en kampen met rancunegevoelens over de verspilde jaren die reeds zijn heengegaan. Over hen gaan in romans de wonderbaarlijkste geruchten in omloop. Heel vaak gaat het mislukken als leraar gepaard aan huwelijksproblemen of existentiële vereenzaming, identiteitsverlies, innerlijk gemis, zoals bijvoorbeeld bij leraressen in verhalen van Kristien Hemmerechts. Helemaal aan de fantasie van schrijvers ontsproten is dit niet, in de onderwijspsychologie noemt men dit verschijnsel  ‘het desintegrerend leraarschap’. Vaak lijdt men aan fundamentele levensproblemen: thuis gaat het niet goed, en wanneer de thuissituatie instabiel is, heeft dit zijn weerslag op het functioneren voor de klas, op school, tussen deze werelden kan men nog moeilijk schakelen. Men wordt door onzichtbare handen neerwaarts getrokken, bij het geringste is men van streek, men voelt zich leeg van binnen, verdoofd staat men voor de klas, verlangend naar de fles of een ver zonnig strand, men verdraagt thuis zijn vrouw niet meer, vriendschappen verliezen hun waarde en voor men het weet is men het zicht op zichzelf volledig bijster geraakt.
Overigens is het niet in alle gevallen duidelijk of de oorzaak van de problemen thuis of op school liggen, of dat de leraar gewoon van zichzelf krankzinnig is of door zijn omgeving vreemd wordt gevonden, bijvoorbeeld in de roman ‘Rampspoed: novelle van de leraar’ (1985) van Alfred Kossmann, over een oudere (ex) leraar die aan geheugenverlies lijdt en die voor de raarste dingen cijfers geeft. Wanneer hij op een parkeerterrein voor de supermarkt een oud-leerling tegenkomt, schiet het meteen door hem heen (ondanks zijn geheugentekort): ‘De Bruin, een zeven-minnetje’. De vriendinnen van zijn vrouw fluisteren elkaar toe: ‘zou hij haar ook cijfers geven voor je weet wel?‘

Kossmann

(Alfred Kossmann)

Of neem de lotgevallen van leraar Kapelaan in de novelle ‘Omtrent Kapelaan’  (1985) van Willem van Toorn, zelf jarenlang onderwijzer in Dwingelo.

De collega’s hadden vastgesteld dat Kapelaan geen bevredigend inzicht kon geven in zijn werkmethode en zijn wijze van resultaten beoordelen. Oncollegiaal gedroeg hij zich, vonden ze. Hij paste niet in het team. Kapelaan was er zenuwachtig van geworden en vervolgens zeer neerslachtig. Dat vonden ze naar. Misschien moest Kapelaan eens onderzocht worden.

Sommige leraren beginnen een verhouding met een leerling(e) – bijvoorbeeld in ‘De ziener’ (1959) van Simon Vestdijk,  ‘Pijnboomspook’ (1978) van Bouke B. Jagt, ‘Noordzeepalmen’ (1980) van Huub Beurskens en ‘Het rookoffer’ (1987) van Tessa de Loo (een ‘remake’ van Vestdijk’s ‘De ziener’), of zij proberen, al dan niet openlijk, een leerling te verleiden (bijvoorbeeld bij Mischa de Vreede, Oek de Jong en Simon Vestdijk).  Andere leraren beginnen een verhouding met een collega  of trekken zich terug in een landelijk pension, hotel of ander vluchtoord, zoals in de romans ‘De verwondering’ (1962) van Hugo Claus, ‘Het misverstand’ (1983) van Frans Stüger, ‘Aanrakingen’ (1984) van schrijver, historicus en geschiedenisleraar Jan Meyers of in ‘Het slotfeest’ (2004) van schrijver, dichter en lerarenopleider Jacques Kruithof.
‘Aanrakingen’ is een roman over een geflipte leraar, die is gevlucht voor zijn overheersende vrouw. Hij neemt zijn intrek op een woonboot, maar krijgt te maken met een buurtactiegroep die de ligplaats van zijn boot betwist. En ziet hij zich geconfronteerd met klonen van zijn vrouw en indirect vrouwelijke collega’s op school:

Agressieve wijven met bekken als scheermessen, slonzige grauwe muizen met meer principes dan tieten.

Wonen leraren gewoon thuis, dan stelle men zich een interieur voor vol drankflessen. De drankzucht en eenzaamheid van de leraar vinden we bijvoorbeeld terug in de roman ‘Op de leegte’ (1999) van de Nederlandse schrijver Max Niematz (enige tijd leraar geweest). Het hoofdpersonage in deze roman is een zwijgzame, oudere leraar Frans met een negatief zelfbeeld, de eenzame Lex Fernhout, die veertig jaar bij zijn moeder heeft gewoond, een moeder die hij verafschuwt. Fernhout is een vroegoude veertiger met een pafferig gezicht, achterovergekamd haar dat kale plekken op de kruin moet camoufleren en draagt een grote montuurloze bril.
Fernhout onderdrukt zijn homo-erotische fantasieën. Iedere avond ligt hij al vroeg stomdronken en huilend in bed

Hij was weinig populair op school. Collega’s en leerlingen respecteerden hem hoofdzakelijk om zijn voorspelbaarheid. Van Lex Fernhout wist je zeker dat hij nooit uit de bocht zou vliegen, nooit bijster geestig zou zijn, maar altijd ongemakkelijk en absoluut saai. Hij bezat weinig overtuiging als leraar, had het vak gekozen bij gebrek aan beter. De kans op een zonniger toekomst achtte hij verkeken en hij was er niet eens rouwig om. Hém zou je niet horen juichen over het onderwijs, maar het werkte, het gaf houvast. Zonder collega’s en de regelmaat van een lesrooster kon je Fernhout gerust onder de grond stoppen…

De sfeer op school, ergens in Groningen, is niet best. Fernhout maakt deel uit van de sectie Frans en botst voortdurend met conservatieve collega’s, die Stoof, Wiedema, Balein heten. Men verdraagt elkaar, omdat men al zoveel jaren met elkaar zit opgescheept.  ‘Op de Leegte’ is een goed geschreven, thrillerachtige roman, waarin een mistroostig beeld wordt geschetst van het onderwijsmilieu, een mannenbolwerk, waar vrouwen weinig in te brengen hebben of louter als decorstukken figureren, aangenaam om naar te kijken of over te fantaseren, en voor de rest zoveel mogelijk te negeren. Een roman, waarin de statige heren, al decennia actief in het onderwijs, in al hun welsprekendheid en onderlinge wrevel vastgeroest zijn in de wegen en dwaalwegen der pedagogiek.
Helaas, of gelukkig, is deze Lex Fernhout geen eenling in de Nederlandse literatuur.
Een verdere verkenning.

In 1979 verscheen de roman ‘De ondergrondse’ van Maurits Mok (1907-1989). Het is het verhaal over de chagrijnige onderwijzer Koch. Koch woont vanwege de gezondheid van zijn vrouw in een klein kustplaatsje. Hij veracht de dorpsmentaliteit

Het uitdelen van kennis aan de plaatselijke jeugd stond gelijk met zaaien op rotsgrond. In de botte blonde koppen huisde evenveel geest als in varkens.

Ook op de school waar hij werkzaam is acht Koch zich vele malen hoger dan zijn collega’s of zijn directeur, ‘een stuk elastiek waar de rek uit is, een slappeling die dankzij een volslagen gebrek aan temperament met het leven verzoend was en dankzij een aanzienlijk gebrek aan benul door collega’s als geschikt voor zijn positie werd bevonden’. Koch heeft het dan ook moeilijk, als briljante eenling. Hij probeert aansluiting te vinden bij andere hoogbegaafden, maar hoe hij ook zoekt, hij vindt er geen

Een dergelijke aanleg maakt het onderwijzerschap, en dan nog bij een plattelandsbevolking, tot niet minder dan een kwelling. De verhouding met zijn collega’s verschilde niet principieel van die met de leerlingen. Ook in deze kleinere kring was hij qua persoonlijkheid de eerste, al gold officieel het schoolhoofd als zodanig.

Bij Koch rijpt een geniaal plan. Mensen zoals hij zouden in een aparte samenleving moeten wonen! Hij ontwerpt in het geheim, in zijn schuurtje, blauwdrukken voor een ondergrondse samenleving voor de elite, afgezonderd van het bovengrondse plebs. Hij noteert, steeds enthousiaster wordend, hele schema’s en registers van toekomstige bewoners, verdeeld over een blauwe kolom voor de elite en rode kolommen voor het gepeupel

Overeenkomstig de bedoeling van het plan, bleef de met blauwe inkt geschreven kolom zeer beperkt. Kolom was trouwens een te groot woord, want de naam van Koch stond in de blauwe rubriek voorlopig alleen, terwijl de rode afdeling in vlot tempo tientallen namen kreeg toegewezen.

Dit alles tot groeiende ongerustheid van zijn vrouw: schat, wat doe je toch allemaal in die schuur? Hier dus een onderwijsgevende die zich wel schaart onder de mannenbroeders van dominees, notarissen, advocaten en burgemeesters. Koch bijt zich echter zo vast in zijn geheime plan, dat hij uiteindelijk, stemmen horend en overal onzichtbare vijanden van zijn plan bespeurend, krankzinnig geworden wordt afgevoerd.

Ook in moderne romans keert het identiteitsverlies van een leraar regelmatig terug. Bijvoorbeeld in ‘De laatste lach’ (1997) van de Nederlandse schrijver R.A. Basart, waarin leraar Adam Beek in een grote identiteitscrisis verkeert: hij trekt vreemde kleren aan, ouderwetse pakken, hoedjes, brillen en valse snorren. In de klas zorgt hij voor gegiechel bij zijn leerlingen als hij op een dag twee verschillende schoenen draagt. Suggesties van de schooldirecteur om het even rustig aan te doen en verlof te nemen, slaat hij in de wind. Wanneer mensen hem aanspreken zegt hij ‘ik ben er niet’ ,  ‘ik ben niet wie u denkt’ of ‘ik ben een ander’.
Het loopt slecht af, met Adam Beek, die in de roman als volgt wordt omschreven:

Man met opvallend gemis aan markante trekken. Leraar.

Deze zin doet onmiddellijk onze grootmeester Simon Vestdijk in gedachten schieten, die in zijn roman ‘De andere school’ (1949) noteerde:

Volgende leraar. Een aangename boer, die niet uit zijn woorden kon komen, vriendelijk plantaardig.

Simon Vestdijk (1898-1971) heeft veel jeugdherinneringen in zijn romans verwerkt. Zijn Anton Wachter-cyclus, waaronder het prachtige ‘Terug tot Ina Damman’ (1934) beslaat herinneringen aan zijn schoolloopbaan en leerkrachten. Berucht geworden is leraar Horsting uit ‘Terug tot Ina Damman’, een morsige, roodharige viespeuk

Leraar Horsting bood aan dat hij Marie van den Boogaard na schooltijd voor iets geheel anders een hoog cijfer kon geven

In ‘De andere school’ (1949), deel 4 uit de Anton Wachterromans, schetst Vestdijk een aantal onvergetelijke lerarentypes in zinnen zoals alleen Vestdijk ze schrijven kon (waarom is Anton Wachter nooit verfilmd?) en die associaties oproepen aan de leerkrachten aan het Vossius zoals Gerard Reve dertig jaar later heeft beschreven.
Hieronder een kleine parade van Vestdijkiaanse leerkrachten

Er waren twee duidelijk zenuwzieken: dr. Heringa, de scheikundeleraar, die naar men zei in een inrichting was geweest, en de Nederlandse leraar Westra, bijgenaamd de Bul, een allerellendigste, tot tranen toe ontroerende karikatuur op het geduchtste aller honderassen. En Odinot mocht dan niet zenuwziek zijn, hij had toch een hartkwaal, en deed vreemder dan Heringa en Westra samen; hij hoonde, rookte pijpen in de klas die rochelden, zei nog steeds de namen voluit, en scheen niets van de Alpenpassen te willen weten. () Een met veel verve tentoongespeide verachting voor alles wat naar leerling zweemde bleef intussen Odinot’s voornaamste trek. ()
Heringa, een lange, magere man met een benig, rood domineesgezicht en een paardelachje, was algemeen geliefd; men vond hem intelligent en gewillig, en van zijn zenuwziekte, zich uitend in een verwezen staren nu en dan, of de nederige opmerking ‘ik ben weer erg afleidbaar vandaag’, had men geen last, te meer omdat die zeker niet op school ontstaan was, zodat men zich niets had te verwijten. () En dan was Mossel er nog, die werkelijk al te belachelijk streng les gaf, met zijn ‘honderd maal de formules overschrijven’ voor de geringste leemte in de kennis der goniometrie. Mossel die onder geweldige hoogspanning scheen te leven, wreed en beheerst oosters, fakirachtig verstorven.

Meer leraren en karikaturen daarvan treft men onder meer in Vestdijk’s romans ‘De ivoren wachters (1951), ‘De ziener’ (1959) en ‘Zo de ouden zongen’ (1965).

3b054a2a0deb5a2026075c1d00acdfc1c_1 

(Simon Vestdijk)

De eerder aangehaalde roman van Basart doet verder sterk denken aan de novelle ‘Tegelaar’ (1986) van Ton Meyer. In dit boek is leraar Nederlands Tegelaar van zijn vak vervreemd.
Tegelaar is vereenzaamd en verwaarloost zijn huishouden. Hij kampt met een fors drankprobleem en giet bewust koffie over de proefwerken van zijn leerlingen, dat scheelt weer de inspanning van het nakijken. Om de klas in het gareel te houden gooit hij nu en dan een asbak tegen de wand van het klaslokaal

Ik ben mijn leerlingen aan het verliezen, denkt hij. Ik ben een droge sloot geworden. Ik heb geen inspiratie meer, geen plan, geen inzet. Ik verkoop plantjes met dode wortels. De leerlingen begrijpen dat, in hun gedrag getuigen ze daarvan.

Wanneer Tegelaar weer eens, met een flinke kater, te laat op school verschijnt, loopt hij op de gang een meisje van zijn klas tegen het lijf. ‘Gut meneer, zei het meisje, ‘we dachten dat u zou vervallen, shit’. Even later werpt leraar Tegelaar zich voor de ogen van zijn verbijsterde leerlingen uit het raam.
Hoeveel Tegelaars zouden er werkelijk in het onderwijs rondlopen? Misschien wel meer dan wij vermoeden. Tegelaar is als oudere leraar de greep op zijn vak en daarmee zijn leerlingen kwijtgeraakt. Ook van zijn collega’s is hij vervreemd.
Hij oefent zijn beroep met grote tegenzin uit en vindt troost in de fles wijn die aan het eind van de dag op hem wacht. In het onderwijs vindt hij geen uitdaging meer, zijn energie is op en daarmee ook iedere animo om zich te laten omscholen. De enige behoefte van Maslow die hij nog lijkt te hebben is zijn behoefte aan drank.

Cor de Hoon (schrijver en ex-leraar Engels) publiceerde in 1978 de roman ‘Bitter lemon’, over de geestelijke aftakeling van een leraar Engels, die al tientallen jaren in het onderwijs werkzaam is. Deze leraar heeft het allemaal zien komen en gaan: de klompen, de sandalen, de geitenwollen sokken, de minimode, de maximode, de sextruitjes, de lange haren. De roman speelt zich af tijdens een hittegolf. Toch slaapt leraar Vincent in een pyama:

leraren sliepen niet naakt.

In de slaapkamer oefent Vincent voor de spiegel zijn lessen, tot ongerustheid van zijn vrouw:

‘Vincent, wat doe je toch weer vreemd. Ik hoop niet dat je in de klas met die leerlingen erbij ook zo raar doet’.

Cor de Hoon drijft in zijn roman de spot met ambitieuze en abstracte onderwijsprogramma’s en verbeeldt de desinteresse van de leraren die aan die programma’s geen enkele boodschap hebben. Wat moet je ook als leraar met lezingen van zogenaamde onderwijsdeskundigen vol dor ambtenarenjargon:

‘Is het mogelijk in een programma alle doelstellingen te operationaliseren of zijn er doelstellingen die, hoewel ze van prioritaire aard zijn, de operationalisering trotseren?’

Of zinnen uit het saaie betoog van de deskundige als

‘Een leerkracht kan aan vrij homogene groepen onderwijs verstrekken waar het cognitieve vorming betreft. De dynamische en affectieve eigenschappen van de leerlingen zijn vaak uitermate verschillend.’

De oudere collega-leraren van Vincent mompelen voortdurend ‘het zal mijn tijd wel duren’. Tijdens genoemde lezing op school (de onderwijsdeskundige doceert onder grote hilariteit van het lerarengehoor: ‘wij moeten ons beijveren de affectieve ingangen van onze leerlingen te zoeken’) komt de overspannenheid van Vincent tot een uitbarsting. Hij verdwijnt in een psychiatrische inrichting, na al eerder door zijn huisarts te zijn gewaarschuwd:

‘Je weet dat leraren het hoogste sterftecijfer hebben van alle beroepen. Er zijn er maar weinig die hun pensioen halen, maar wie weet bof je wel’. (Arts barst in lachen uit).

Onderwijsvernieuwingen hebben tot een aantal intrigerende romans geleid. In de (ook op het ministerie van OCW) geruchtmakende roman ‘De rectrix’ (1995) van Simon Bottema, een roman gebaseerd op de omstreden benoeming van Charlotte de Vries Lentsch aan het Amsterdamse Barlaeus gymnasium (in de roman heet zij Carla de Rijk Bezemer) wordt over de dreigende invoering van de lump sum financiering in het onderwijs verhaald.
Mevrouw de Rijk Bezemer (‘sluik blond haar, parelkettinkje, Moschino-parfum’) is door het gemeentebestuur van Amsterdam benoemd aan het Anna Bijns College, zeer tegen de zin van het schoolbestuur dat een eigen kandidaat in gedachten had. Maar de PvdA heeft de macht in Amsterdam, en de PvdA-wethouder van onderwijs hoopt goede sier te maken bij het ministerie. De benoeming van mevrouw de Rijk Bezemer wordt de school door de strot geduwd.
Mevrouw de Rijk Bezemer is dus niet te benijden. Zij gedraagt zich in haar achterdocht echter zo tiranniek (zo kraakt zij computers om te achterhalen wat men allemaal over haar schrijft), dat zij langzamerhand in een onmogelijke positie komt te verkeren, zeker als uitkomt dat zij in een vorige betrekking enige duizenden guldens uit de schoolkas heeft ontvreemd. De school ziet haar kans schoon mevrouw de Rijk Bezemer te dumpen. Uiteindelijk wordt zij, dankzij haar relaties, weggepromoveerd naar een post in dienst van het ministerie van Onderwijs, dat wil zeggen als onderwijsinspecteur, hetgeen uitstekend aansluit bij de louche kwaliteiten die inspecteurs in onderwijsromans worden toegedicht. (Charlotte de Vries Lentsch zou in werkelijkheid directeur Personeel en Organisatie worden bij het ministerie. De vermeende diefstal zoals die in de roman wordt beschreven, vond plaats aan een gerenommeerd lyceum in Den Haag, waar een rectrix haar handjes niet van de schoolkas had kunnen afhouden. Simon Bottema heeft deze zaken ter wille van het verhaal met elkaar verweven.)
In de roman van Simon Bottema staat het letterlijk zo geschreven:

‘het ministerie in Zoetermeer wilde maar niet begrijpen wat er zich op een school afspeelt’.

Behalve de neergang van de rectrix, draait het in de roman vooral om de invoering van de lumpsum financiering en het project Vitaal Leraarschap en alle gevolgen die dit heeft voor de bedrijfsvoering van scholen. PvdA-wethouder van Brakel is enthousiast

Kijk, er is een flinke trend in het onderwijs om de boel bedrijfsmatiger aan te pakken. Alles moet flexibeler, zelfstandiger, efficienter, meer op productie en rendement gericht. () In het lumpsum-systeem krijgen de schoolbesturen een keer per jaar een zak met geld, en daar moeten ze dan alle uitgaven voor het hele jaar van betalen, zowel voor het personeel als voor het materiaal. De schoolbesturen mogen zelf weten hoe ze dat geld zullen verdelen. En nou wil het ministerie het lumpsum-systeem binnenkort in het hele land invoeren. Dat zal enorme gevolgen hebben! Dat is een riskante onderneming, dat begrijp je wel! Daarom wil de staatssecretaris eens voorzichtig aftasten hoe dat systeem in de praktijk gaat uitwerken. Dus heeft de staatssecretaris besloten een proefballonnetje op te laten. En nou heeft de staatssecretaris mij aangeboden, omdat we elkaar nog van vroeger kennen, om een school uit te kiezen die onder mijn bestuur valt, en daarmee dit ambitieuze project van de grond te helpen komen!

Van Brakel ziet de invoering van het lumpsum-systeem als een perfect middel om zijn partij te ontdoen van het stoffige solidariteitsdenken en als wapen om de partij te verzakelijken.
De satirische roman van Bottema weerspiegelt de angst die oudere leraren in de praktijk voelden bij alle discussies over de lumpsum, die zij als een bedreiging ervaarden, omdat zij op grond van hun dienstjaren niet meer vrij zouden kunnen overstappen naar een andere school. Tegelijkertijd geeft de roman weer het beeld van het kleinzielige lerarenwereldje, allergisch voor vernieuwingen, en wordt, net als bij Jan Siebelink, het onderwijsjargon gehekeld, Zoetermeerse ambtenarentaal als ‘kwaliteitsimpuls’, ‘doelmatigheid’, ‘rendement’, ‘kwaliteitsstandaarden’ en ‘vitale injecties’.

Schrijver, leraar Nederlands en voormalig medewerker bij de Stichting voor de Leerplanontwikkeling Jan de Zanger (1932-1991) heeft enige romans geschreven die zich in het onderwijs afspelen. Zijn onderwijsverhalen zijn met prijzen bekroond; niet in Nederland, maar in landen als Duitsland en Denemarken, waar hij een populair auteur was. Ook zijn de boeken van Jan de Zanger lang op de leestlijstjes van leerlingen te vinden geweest en zijn op internet nog steeds uittreksels van zijn romans te downloaden. In de roman ‘De fietser’ (1982) beschrijft Jan de Zanger de lotgevallen van leraar Nederlands Bert den Hertog. Deze leraar vindt geen enkele bevrediging meer in zijn vak

Het benauwde hem iedere keer weer dat hij dat nog 23 jaar vol zou moeten houden. Dat hij nog 23 jaar de vriendelijke, begrijpende leraar zou moeten spelen tegen leerlingen die hij minachtte omdat zij niet eens in staat waren een dictee zonder fouten te schrijven, omdat ze altijd weer twijfelden of Vondel nu in de 17e of in de 16e eeuw geleefd had.

Soms wordt het hem allemaal te veel en gaat hij maar een eind fietsen. Bert gaat fietsen wanneer hij tegen een nieuwe schooldag opziet, of tegen de loze gesprekken in de docentenkamer. Bert fietst zijn zorgen van zich af. Maar echt helpen doet het niet, de zorgen en twijfels blijven aan hem knagen. Af en toe krijgt hij de aanvechting plotseling een flinke ruk aan zijn stuur te geven en zich onder een aanstormende vrachtwagen te werpen. Een buitenechtelijke affaire houdt hem op de been. Iedere avond  na het eten  zoekt hij zijn zolderkamer op

Correcties, zegt hij dan tegen zijn vrouw, of lessenvoorbereiding. Maar aan voorbereiding had hij al een jaar niks meer gedaan en schriftelijk werk keek hij altijd op school na, terwijl hij de klas aan het werk zette. Hij had altijd maar wat voor zich uit zitten staren of in een boek zitten bladeren dat hem eigenlijk niet interesseerde, maar waar hij toch over mee moest kunnen praten, al was het alleen maar omdat een leerling het op zijn lijst gezet had.

Veel aandacht wordt in ‘De fietser’ besteed aan de destijds actuele kwestie van leraren die zich wilden laten afkeuren, de WAO in en op die manier verlost te worden van de hel van het onderwijs.
Ook leraar Bert fantaseert daar wel eens over.

Op school was het populair geworden je af te laten keuren. Toen een collega van 58 compleet amok gemaakt had en na een paar maanden arbeidsongeschikt verklaard was, waren een paar anderen begonnen zich hardop af te vragen hoe ze dat ook klaar konden spelen. Je kon weigeren met de anderen samen te werken en je op die manier onmogelijk maken, je kon de een of andere oncontroleerbare kwaal krijgen. Het was er twee gelukt een zodanig overspannen indruk te maken dat ze nu minder lessen hoefden te geven en toch bijna hun hele salaris opstreken.

In de roman ‘De fietser’ wordt ook de omgang met de problematiek van voortijdig schoolverlaters aan de orde gesteld.
De auteur van deze roman, Jan de Zanger, vertrok in 1991 in zijn eentje naar Denemarken, zijn favoriete vakantieland, om even op krachten te komen in de mooie natuur van dat land. Eenmaal in Denemarken maakte hij een boswandeling en verhing zich aan een potige boom. Naar zijn motieven wordt nog steeds gegist; misschien liggen die wel in ‘De fietser’ verscholen. Sindsdien leeft Jan de Zanger bij cynische collega-schrijvers ook wel voort als Jan de Hanger (bron: Martin Ros/Jeroen Brouwers).

Ambitieuze leraren, ze zijn er wel in Nederlandse onderwijsromans, maar je moet erg goed zoeken. Doorgaans handelen de romans over leraren die hun tijd zo onbeschadigd mogelijk proberen uit te zitten. De Haagse schrijfster Nicolette Smabers beschrijft in haar verhalenbundel ‘Portret van mijn engel’ (1987) de frustraties die men als onderwijsgevende kan opdoen door een leidinggevende die de vernieuwer wil uithangen:

Wij verstonden elkaar niet, zoals dat heette in de termen van het middelbaar sociaal-pedagogisch beroepsonderwijs. En met mijn kritiek op zijn voorkeur voor kringgesprekken, thema-onderwijs, projecten, het verkleinen van de afstand tussen onderwijsgevende en onderwijsontvangende vond ik – ook bij de collega’s – weinig gehoor. Daar kwam nog bij, dat ik was aangesteld voor een vak dat nauwelijks meetelde in het middelbaar sociaal-pedagogisch beroepsonderwijs (het vak Nederlands).

De lerares uit het verhaal van Nicolette Smabers vertegenwoordigt het prototype onderwijsgevende die men ook in de romanliteratuur aantreft: die van de enthousiaste leraar met hart voor het onderwijs, de leerkracht die tegengewerkt wordt door schoolleiding of collega’s, en die steeds opnieuw oploopt tegen een muur van onwil van de omgeving, of starre regeltjes, niet van het ministerie, maar van de schoolleiding of koepelbesturen.

In de onderhoudende roman ‘P.Pythagoras’ (1981) van schrijver H. Flipse, over de probleemwereld van een stotteraar, volgen wij de middelbare schoolloopbaan van Adri Lichtenberg. Hij worstelt onder meer met het vak Frans, een taal die hij nauwelijks serieus neemt. Gelukkig voor Adri denkt de vaklerares er net zo over

Zij had het verbluffende vermogen om op de klas geruisloos het besef over te brengen, dat het middelbaar onderwijs een ongelukkige instelling was, waar je nagenoeg niets kon hopen te leren, en dat het daarom het beste was om alles zo gelaten mogelijk over je heen te laten gaan.

Sommige leraressen schrijven zaken op het schoolbord, waarbij zij soms even in een leerboek turen, en daarbij schaapachtige blikken de klas inwerpen, met een uitdrukking van ‘wat ben ik toch dom, hè?’
Ook in deze roman aan karikaturen geen gebrek. Minder nonchalant dan de lerares Frans is de leraar Duits:

De ontoegeeflijkheid van de leraar was namelijk van dien aard dat hij iedereen de stuipen op het lijf joeg. Van het moment dat zijn bullebaksgezicht in de deuropening verscheen, hing er een elektrische spanning in de klas. Wie door hem bevolen werd te spreken, waagde het niet zijn mond dicht te houden. Het antwoord, hetzij goed of fout, werd eruit geperst door de spanning, of als in een toestand van hypnose. Niemand was geheel zichzelf onder de Duitse les, gebruikelijke eigenschappen leken te zijn opgeschort.

Bijna achteloos staat op de achterflap van deze roman: ‘de schrijver is in de meest uiteenlopende functies werkzaam geweest, ook in het onderwijs’. De roman wordt door de uitgever dan ook van harte aanbevolen ‘aan hen die in het onderwijs werkzaam zijn’ en mensen die begaan zijn met lot van stotteraars.

De verhalenbundel ‘Jonge modinettes’ (1995) van schrijver en leraar Paul Meeuws speelt zich af aan een school voor middelbaar beroepsonderwijs (tegenwoordig regionaal opleidingscentrum – roc – geheten), met een hoge populatie aan allochtone leerlingen. De verhalen gaan over leraren, over leerlingen, over de thuissituatie van de leerlingen, hun ouders, het schoonmaakpersoneel.
In het verhaal ‘Booglassen’ ziet de oudere leraar techniek Crijns zich geconfronteerd met een stelletje ongeregeld. Om orde te houden werpt Crijns zware hamers door de klas. ‘Ik word oud’, denkt Crijns, ‘ik word omringd door gespuis en ik merk niks!’
Op zekere dag komt er een meisje in de klas, een brutaal kind met zo’n sterke uitstraling dat zelfs de ruige jongens haar leiderschap respecteren, zij laten zich zonder al te veel verzet imponeren door haar bravoure, tot haar overwicht op de klas Crijns te veel wordt. Als Crijns haar eens uitscheldt omdat zij butsen in een staalplaat heeft gehamerd, gooit zij haar werkstuk op de vloer en schreeuwt ‘doe het dan zelf!’ Crijns raakt erg gecharmeerd van haar, zijn oudemannenlibido komt onverwachts tot leven. Steeds zoekt hij het meisje op, waarbij hij ongewenste intimiteiten als een verrassend rendabele lesmethode hanteert

Alleen door zo goed haar best te doen dat ze zijn correcties niet meer nodig had, kon het meisje haar lasleraar bij zich vandaan houden. Telkens als hij haar werk wilde komen bekijken, was zij er al mee klaar. Zij werd zijn beste leerling.

Maar net zo plotseling als zij verscheen, verdwijnt het meisje weer en stroomt als voortijdig schoolverlater de arbeidsmarkt op, zonder diploma, ‘alsof  die hele lasmanie van haar maar een gril was die niet bij haar paste’. Sindsdien gebruikt Crijns haar werk als voorbeeld voor andere klassen en bewondert met terugwerkende kracht en weemoed haar vaardige hand.
‘Jonge modinettes’ kan worden beschouwd als een van de zeldzame positieve en daarnaast ook nog eens heel realistische verhalenbundels over het onderwijs uit de Nederlandse literatuur. Uitermate geschikt als relatiegeschenk!

In de roman ‘Afgebrand’ (1995) van Rob Groenhof wordt met veel kennis van onderwijskundige zaken een gedwongen fusie beschreven tussen een school voor voortgezet onderwijs en beroepsonderwijs tot een grote scholengemeenschap. Die fusie heeft nog heel wat voeten in de aarde, omdat er grote weerstand bestaat tegen het beroepsonderwijs. Op een roerige fusiebijeenkomst schreeuwt de speekselspuwende directeur van het voortgezet onderwijs de befaamde woorden:

‘het beroepsonderwijs een verrijking? Een verrijking? Verloedering zult u bedoelen! Ik moet dat schorriemorrie niet op mijn school!’

De docenten zien de fusie met angst en beven tegemoet, zullen zij hun plek nog wel kunnen behouden in de nieuwe school? Met schuin oog loert men op de docente van het overbodige en belachelijke vak textiele werkvormen:

De collega’s zagen liever dat ze opdonderde naar Ede, omdat ze met haar twaalf dienstjaren een hoge plaats op de afvloeiingslijst innam.

Vergaderingen over de fusievoorbereiding lopen steevast uit op geklaag en weerstand, tot grote ergernis van de directeur:

vergadering met het voltallige stelletje lamzakken, zowel het OP als het OOP, met hun geklaag en gezeur over rechtspositie. Collegialiteit was ver te zoeken bij hem op school.

Tot overmaat van ramp krijgt hij te maken met leerkrachten die zich om de haverklap ziek melden, waardoor hij, ondanks zijn drukke agenda, zelf de lessen moet overnemen.
Een en ander leidt gaandeweg tot verloedering van de directeur, die aan de drank raakt, thuis met groeiende ergernis zijn ouder wordende vrouw bekijkt, op sportvelden naar jonge schoolmeisjes loert en uiteindelijk buitenechtelijke troost zoekt tussen de milde borsten van een veertien jaar jongere docente, die hem overigens afwijst.

In ‘Het verkeerde gezicht’ (1975) van schrijfster Carole Vos figureert een ook al niet zo standvastige lerares aardrijkskunde, Rosa: ‘niet geliefd, niet opgemerkt eigenlijk, en daarom ook niet zo gepest door de leerlingen. Goed salaris, op zichzelf levend, geen echte vrienden. Geen man ook.’
Toch heeft deze lerares een groot geheim, een geheim met hoofdletters.

Zij Was Met Een Man Naar Bed Geweest. Een lerares aan een middelbare school moest toch weten waar haar leerlingen het over hadden.

Zij gebruikt op aandringen van haar minnaar ook drugs

Een lerares diende op de hoogte te zijn.

Uiteindelijk pleegt deze lerares zelfmoord door in een sloot te springen. Nauwelijks opgemerkt eigenlijk.

Lerares Rosa had geen enkele ambitie in het onderwijs. Zij wilde lesgeven en verder anoniem zijn, zonder boodschap te hebben aan emancipatieprogramma’s die zouden moeten leiden tot het doorstromen van vrouwen naar hogere banen in de onderwijssector.
Iets vergelijkbaars komen we tegen in een roman van Marijke de Bruijne, ‘Als het op werken aankomt’ (1993). Marijke de Bruijne publiceerde verder gezellige damesromans als ‘De zee neemt het mee’ en christelijke lectuur als ‘Als appelbloesem in de winter bloeit de vrede’.
‘Als het op werken aankomt’  is het verhaal over een vrouwelijke conrector die door de vertrekkende rector wordt gevraagd te solliciteren naar zijn vrijvallende plek. Zij voelt zich gevleid, maar begint door de druk die van alle kanten op haar wordt uitgeoefend deze kans te grijpen (ook vanuit het thuisfront: ‘dit heb je altijd gewild’, roepen man en kinderen in koor) hevig te twijfelen. Wil zij eigenlijk wel?
Zij heeft het  reuze naar haar zin als conrector, ze geniet van de contacten met de leerlingen die zij als rector zou moeten missen en bovendien: ‘ze heeft het al druk genoeg met alle stukken die vanuit Zoetermeer op haar bureau belanden’. En zou ze nog wel tijd overhouden voor haar favoriete liefhebberij, tuinieren (‘het ordenen van mijn innerlijk landschap’), of ’s avonds gezellig naar de televisie kijken?
Ook maakt zij zich grote zorgen om haar zoon, die een studerende vrouw heeft, wat haar eigen dilemma nog eens versterkt: hoort een vrouw niet gewoon bij man en kinderen te zijn in plaats van een carrière na te streven? Ze overweegt zelfs ‘maar weer gewoon lerares geschiedenis te worden om van alles af te zijn’.
Waar mannelijke leraren in Nederlandse romans soms tot onbezonnen daden komen of zich te buiten gaan aan alcohol, daar ontpoppen leraressen zich vaak tot geboren piekeraars. De roman van Marijke de Bruijne heeft dan ook als ondertitel: ‘een boek over vrouwenkeuzes’.

Een lerares die ook al graag in haar (moes)tuintje vertoeft, is Loes van der Doelen uit de novelle ‘De ijsdragers’ (2002, boekenweekgeschenk) van Anna Enquist. Loes is lerares oude talen en vertaalt in haar vrije tijd werk van Tacitus. Haar man Nico is de nieuwe directeur van een psychiatrisch centrum, waar hij stevige reorganisaties wil doorvoeren, en er op breed verzet stuit. Nico is niet iemand die zich laat tegenhouden, niet door de ondernemingsraad, niet door de Raad van Toezicht. Hoe anders is Loes, die in de novelle als een timide, stille vrouw wordt afgeschilderd, iemand die soms ‘was ik maar dood’ denkt. Daar is ook alle reden toe: haar huwelijk met Nico verkeert in een ernstige crisis sinds hun geadopteerde dochter Maj is weggelopen en zij elkaar een zwijgplicht over hun verdwenen dochter hebben opgelegd. Hoe dramatisch dit gegeven ook mag zijn, alweer wordt een lerares verbeeld met een zwakke wil, iemand van wie je je nauwelijks kunt voorstellen dat zij zich voor de klas staande kan houden.

Annaenquist

(Anna Enquist)

Na de kerstvakantie raakt Lodesteijn meer en meer in de greep van een buitengewone somberte, een licht- en luchtloze treurigheid waardoor alles om hem heen vervluchtigde en het gevoel insloop klinisch dood te zijn. Of hij zichzelf als leraar overleefd had en vanachter zijn eigen grafsteen toezag op wat hij voor de klas stond te gebaren.

Zo beschrijft Levi Weemoedt de toenemende desintegratie van leraar Lodesteijn in zijn roman ‘De ziekte van Lodesteijn’ (1986).
Iets soortgelijks overkomt Paul de Wit, het hoofdpersonage uit de roman ‘La Place de la Bastille’ (1982) van Leon de Winter. Leon de Winter beschrijft perfect het proces van sluipende desintegratie bij een leraar geschiedenis, door De Winter ‘manifeste vertwijfeling’ genoemd, het verliezen van interesse voor het beroep, het vervreemden van de leerlingen en collega’s

In de periode van de manifeste vertwijfeling begon mijn werk mij te irriteren. Het werd me steeds duidelijker dat geen woord over het verleden ook maar de geringste zin had. De leerlingen staarden me stompzinnig aan, scheen het me toe, niets bleef in hun poreuze hersenen hangen, blind zouden ze de toekomst betreden zoals ze blind het verleden hadden aangegaapt. Met moeite sleepte ik me ’s ochtends naar school, huiverend voor de lege uren die op me wachtten, en ik probeerde met de moed der wanhoop mijn desinteresse te verbergen. Repetities, schoolonderzoeken, scripties, ik wilde ze opheffen omdat de getoetste kennis tot niets leidde.

De Wit wordt apathisch, brengt zijn avonden ten slotte zoet met het wezenloos staren naar videofilms en het zich afreageren op zijn vrouw en kinderen, tot een buitenechtelijke affaire hem weer tot leven wekt. Nieuwe motivatie voor zijn werk als leraar levert dit echter niet op

Het nieuwe schooljaar werd een gruwel. De machtsstrijdjes onder het docentenkorps barstten weer in volle hevigheid los. Mijn collega’s probeerden na de rustpauze van de zomervakantie, die zij blijkbaar hadden benut voor het herlezen van Machiavelli, hun positie en invloed te vergroten, en al spoedig werd de grote docentenkamer opnieuw gesplitst in terreinen voor de verschillende kongsi’s.

Het lot van Paul de Wit kan model staan voor veel romanleraren: om te overleven, gaan zij een verhouding aan, soms met een collega, soms met een leerling, zodat ze, naast het intieme liefdesgeluk, ook een eigen mini-kongsi kunnen vormen tegen de boze wereld van de school en het onderwijs in algemene zin. Men heeft er al een aantal jaren in het onderwijs op zitten, men weet met moeite te overleven in de benauwde en beklemmende sfeer van de docentenkamer, en thuis gaat ook niet alles jofel. Niet eens tussen de regels door wordt er in deze categorie romans geklaagd over het onderwijs, over de desinteresse van de hedendaagse schooljeugd, de vermeende  Nederlandse neiging het onderwijs af te stemmen op het steeds lager wordende beginniveau van leerlingen.

Een enigszins afwijkende roman is ‘Een storm in je hoofd’ (1998) van Margreet van Hoorn, geschreven in samenwerking met Lodewijk van Rijkevorsel.
Het is het verhaal over de jonge leraar Nederlands Peter van Dillenburg, die in dienst treedt van het Martin Luther King College voor middelbaar onderwijs in Alkmaar. Peter begint de eerste dag van zijn leraarloopbaan voortvarend

Ik wil de eerste les van het jaar beginnen met iets, wat naar mijn smaak duidelijk maakt waarom onze Nederlandse taal even zeer de moeite waard is om te spreken dan het Engels of welke andere taal dan ook.

Reeds na afloop van de eerste les fluisteren twee schoolmeisjes uit de klas elkaar toe (de roman kent hele sprankelende, eigentijdse dialogen):

    ‘Wat is hij leuk, hè?’
    ‘Bedoel je hoe hij eruitziet?’ fluisterde haar vriendinnetje.
    ‘Ja, hij kleedt zich tenminste modern, dat zie je niet veel op school’.
    ‘Vind ik ook.’
    ‘Dat roze overhemd, mieters vind ik dat.’
    ‘En heb je zijn schoenen al gezien?’
    ‘Nee, die kon ik niet zien vanaf mijn plaats’.
    ‘Dat zijn echte merkschoenen, heel sportief, jôh.’
    ‘Staat goed bij die spijkerbroek van hem’.

Peter geniet van zulke leerlingen, hij acht zich een bevoorrecht mens leraar te mogen zijn voor zo’n fijne klas

Kinderen zijn een niet te stelpen bron van inspiratie. Soms kon hij bijna in trance staren naar het nog zo gave gezicht van een leerling uit de brugklas: naar een wang waar de zon op viel, naar een haarlok die voor een voorhoofd hing, naar een stem die fluisterend voorbijzweefde.

Behalve lesgeven doet Peter ook gezellige spelletjes met zijn leerlingen. Zo organiseert hij een jongens- en meisjescompetitie handjedrukken. Ook in het lesgeven heeft hij een handige aanpak ontwikkeld. Om de leerlingen interesse voor Nederlandse literatuur bij te brengen, doorgaans een zware opgave, gebruikt hij cabaretteksten als bruggetje. Via een sketch van Harry Jekkers over dementie stapt hij over naar de roman ‘Hersenschimmen’ van J. Bernlef.
Zijn methode heeft succes. Over zijn aanpak houdt hij op uitnodiging workshops tijdens een symposium ‘betreffende het talenonderwijs in de bovenbouw van het voortgezet onderwijs’ aan de Hogeschool Arnhem. Hij weet zijn collega-leraren uit het hele land te overtuigen en wordt door een uitgever zelfs gevraagd zijn aanpak in boekvorm te publiceren.
Tussendoor wordt hij vader; zijn vrouw Lise schenkt hem twee prachtige kinderen. Maar hoe rechtschapen Peter van Dillenburg ook is, wat wil je ook met zo’n achternaam, God schiep nu eenmaal naast Adam ook nog Eva en hij bezwijkt voor de ‘volle rondingen en fraaie lichaamslijn’ van  zijn leerlinge Elsa.
Helaas merkt hij na enige jaren dat hij minder plezier begint te beleven aan het lesgeven. Zijn sectiehoofd weet wel hoe dat komt:

‘Op den duur ga je inleveren, omdat je gewoonweg ouder wordt. In de praktijk komt het erop neer dat het beginnend enthousiasme plaatsmaakt voor routine. Met andere woorden, de leraar wordt een lesboer’.

Ook Peter is ten prooi gevallen aan de routine, het gesprek met het sectiehoofd maakt hem nog moedelozer. Hij kan niet voorkomen dat zijn tegenzin in het werk zo groot wordt, dat het ook voor de klas merkbaar wordt. De rit naar school, ooit een bron van vreugd, wordt een grote last

hij speelde een leraar die gedreven met zijn vak bezig was, hij speelde de komediant die altijd plezier had in zijn lessen, hij speelde de altijd blije collega. De dagen op school matten hem zo af dat hij soms met hoofdpijn de laatste uren voor de klas stond en de verdere dag met die hoofdpijn bleef zitten.

Hij krijgt lichamelijke klachten en lijdt aan slapeloze nachten. Uiteindelijk stort hij in. ‘Elke gedachte aan onderwijs maakte hem opnieuw onrustig. Zelfs de artikelen in de krant met onderwijs als onderwerp sloeg Peter over’.
De bedrijfsarts houdt hem voor:

‘Het onderwijs wordt er niet gemakkelijker op de laatste jaren. Ik hoef u niet te vertellen dat het ziekteverzuim onder docenten tot de hoogste behoort van het land. Ik stel voor dat u voorlopig thuisblijft’.

‘Creativiteit en het leraarschap zijn onverenigbaar’, luidt de diagnose in deze roman, maar toch kan Peter uiteindelijk, met behulp van de bedrijfsarts en zijn kortstondige liefje Elsa een creatieve oplossing verzinnen om zijn noden te verlichten: hij geeft bijles aan huiswerkklassen, ’s avonds geeft hij onderwijs in bejaardentehuizen (zie daar ‘een leven lang leren’!) en legt hij ook nog een verbinding tussen het Martin Luther King college en het Stedelijk Museum van Alkmaar, waarvoor hij exposities voor basisscholen organiseert. En zo eindigt de roman in de stijl die we van Van Hoorn gewend zijn:

Hij voelde sterker dan ooit hoe gelukkig hij was. Hij begon onbewust sneller te fietsen om zo snel mogelijk thuis te zijn en zijn hand om het warme lichaam van Lise te kunnen slaan en zijn hoofd, eindelijk tot rust gekomen, in de stilte van haar borsten te kunnen neerleggen.

‘Een storm in je hoofd’ is een van de weinige romans, waarin een leraar na een ernstige inzinking overeind weet te krabbelen, en dat is in de Nederlandse literatuur al een verdienste op zich!  Opvallend is ook dat Peter van Dillenburg een op de leerlingen gerichte leraar is, hij sluit zijn didactiek aan op de belevingswereld van de leerlingen, dit in tegenstelling tot veel andere leraren in Nederlandse romans, die sterk op zichzelf gericht zijn, introverte types vol levenswalging.

Vergrijzing in het onderwijs is een thema in de korte roman ‘Het Pentagon, afdeling Galgenveld’ (1996) van F.J. Boelens. Boelens is naast schrijver ook (gepensioneerd) leraar Nederlands, o.a. aan het Stedelijk Lyceum van Enschede.
Het Pentagon is een van oorspong roomse school, maar verkwanseld aan het openbaar onderwijs, en wordt geleid door de bevallige rectrix Iris Hartlieb

Op haar bureau lag het laatste nummer van ‘Directoire’, het blad voor Vrouwelijke Schoolleiders. Er stond een artikel in van dra. A. Janneman, ‘De vergrijzing in onderwijsland: een socio-geriatische verkenning’. Janneman deed de aanbeveling de scholen tijdig te voorzien van aanpassingen voor de senioren, zoals een stoellift langs de trapleuningen, een ringlijn voor gehoorgestoorden en rolstoelvriendelijke voorzieningen. Zij zou het in het eerstvolgende overleg van de kerndirectie eens aankaarten.

De leraren van het Pentagon worden op karikaturale wijze neergezet. Zo is daar leraar Krijgsman, die voortdurend in zijn kruis grabbelt. Tijdens een voorlichtingsdag op school verbijstert Krijgsman een volle zaal door tijdens zijn voordracht langdurig ‘met zijn knikkers te spelen’. Opnieuw een trieste parade van leraren die grote landerigheid uitstralen, en die pijnlijk contrasteren met de frisse, bevlogen rectrix, die van alles verzint om het niveau van haar team een beetje op peil te houden. Soms neemt Iris haar docenten mee voor een middagje zwemmen, bij wijze van teambuilding, aanleiding voor anekdotes als ‘leraressendijen als blauwe kazen’ en verdachte luchtbellen in de zwembroekjes van leraren.

Niet op alle scholen gaat het er zo vrolijk aan toe, want

Onderwijs is niet om te lachen

zo staat het in ‘En dan is er koffie!’ (1976) van Hannes Meinkema, een beroemde roman die zich grotendeels op een Amsterdamse middelbare school afspeelt.
De roman van Meinkema munt uit in cynisme. Leraressen hebben een hekel aan elkaar en aan vrouwelijke leerlingen, zoals lerares Rosa, het hoofdpersonage, die een alternatieve cijfermethode heeft ontworpen om een vrouwelijke collega te pesten:

‘ik geef jongens altijd een acht, en als ze koffie voor me halen een negen, en meisjes krijgen alleen een voldoende als ze mooi zijn. Want cijfers zijn de sacrosancte basis van het onderwijs, als je daarmee de spot drijft op deze school bedrijf je blasfemie.’

Rosa verlangt tijdens de les voortdurend naar koffie en een sigaret. Ze geeft haar leerlingen leesbeurten, maar ergert zich aan de onkunde van haar leerlingen, zoals de moeilijk lezende Tanja

Schiet op, Tanja, teef met je vochtige slijmogen, ik wil koffie. Soms haat ze haar leerlingen, maar altijd haat ze haar collega’s nog meer. Er is dus nog hoop.

Van haar collega’s moet ze het niet hebben, leerkrachten zonder enige bezieling, zonder niveau

Domheid is niet erg, maar middelmatigheid krabt aan je. Middelmatigheid is een vloek.

Geen wonder dat Rosa vaak ruzie heeft, zoals met collega Jan:

Jan. Zo’n klootzak, daar zou zelfs een heilige nog ruzie mee krijgen. Eerst die volstrekt ontoetsbare havo-toets er doordrukken, en alle vierdeklassers onvoldoende geven omdat een spelfout, dat begrijp je toch Rosa, even zwaar moet wegen als een andere fout, en haar dan medelijdend aankijken als ze begint te schelden. Wat word je toch emotioneel, Rosa. Alsof dat iets verwerpelijks is, emotionaliteit. Iets vrouwelijks of zo. Zes kinderen heeft ie, Jan met z’n dikke buik en z’n MO-discipline. Wat een misselijkmakend idee. Mensen die ze haat neuken niet, geen sprake van.

De cynische leraar geschiedenis Charles Perceval Nijdrecht uit de roman ‘De gave van Luxuria’ (1989) van Allard Schröder spoort niet helemaal. Nijdrecht is invalkracht op scholen en internaten. Hij voelt grote weerzin bij het nakijken van het huiswerk van zijn leerlingen, omdat het hem confronteert met zijn eigen mislukte loopbaan als briljant historicus. Alleen kneuzen worden leraar. Uit haat tegen het leraarschap vreet Nijdrecht zich tot een papzak en jaagt iedereen tegen zich in het harnas met zijn cynisme. Om nog enig plezier in zijn leven hebben, heeft hij een gat geboord in de muur van zijn woonkamer om zijn buurmeisje Esther (‘die slet’) te kunnen begluren.
Zo zijn de manieren van leraren in Nederlandse romans.

9 December 2007
By on 07:49
ONDERWIJSBELEID ALS PERMANENTE COÏTUS INTERRUPTUS

Door Nederlandse schrijvers (vanaf Multatuli) wordt veel geklaagd over het ‘culturele verval’ in Nederland, wat bijvoorbeeld merkbaar zou zijn in het als schizofreen ervaren onderwijsbeleid, waarover veelvuldig (ook door Jacques Kruithof in zijn roman ‘Het slotfeest’ uit 2004) met de noodklok wordt gerammeld: studenten leren niets meer, het Nederlandse middelbare onderwijs brengt gemakzuchtige, kennisarme jongeren voort (‘dat komt ervan als je de leerling centraal stelt’ – Kruithof). Middelmatige leerlingen wordt de hand boven het hoofd gehouden als gevolg van het rijksfinancieringsysteem (outputfinanciering), leerlingen wordt niets meer bijgebracht over literatuur en vaderlandse geschiedenis, zo luidt de zich als een mantra herhalende klacht in de Nederlandse essay- en romanliteratuur, bijvoorbeeld in de roman van Kruithof, die zich afspeelt aan de Amsterdamse lerarenopleiding De Witte Leli (in de roman van Kruithof het Hemsterhuis genoemd). Onderwijsmethoden als die van Maria Montessori en zelfs Rudolf Steiner vinden sluipenderwijs hun weg in het regulier onderwijs, tot afschuw van veel schrijvers, want het onderwijs ‘laten aansluiten op de belevingswereld van het kind’ is een dwaalweg die tot rampen leidt, en dan hebben die schrijvers het nog niet eens over die nieuwste vermeende ramp: de feminisering van het basisonderwijs, al die gemankeerde moeders voor de klas die gemankeerde jongetjes voortbrengen.
Een nagalm van ‘Bint’ van Bordewijk laat zich dan ook vaak horen, Bint die als stelling heeft: ‘Ik eis van de leraar dat hij zich niet inleeft in het kind, dat hij niet daalt. Ik eis van het kind dat het zich inleeft in de leraar, dat het klimt. Ik eis dat het zich inleeft in tien leraren’.
Kenmerkend is ook de volgende uitspraak van Gerard Reve (in een interview uit 1998 met Tom Rooduijn), waarin hij een algemeen gangbare mening verwoordt

Men leert op de middelbare scholen hoogstens een kwart van wat er dertig of veertig jaar geleden geëist werd. Niemand weet meer iets van geschiedenis. En maar klagen dat het schoolprogramma veel te zwaar is. Kinderen die nu naar school gaan, kunnen net zo goed niet gaan. Ze weten niks, ze lezen niks, ze weten niet wat er tien, vijftien jaar geleden gebeurde. Ze hebben geen geheugen meer. Voor rekenen hebben ze tegenwoordig een machientje nodig. Vroeger had je vier procent analfabeten in Nederland, nu is dat dertien en een half procent.

Kn_580100_revek

(Gerard Reve)

In de roman ‘Het slotfeest’ (2004) van lerarenopleider Jacques Kruithof lezen we, naar aanleiding van het geconstateerde geringe basisniveau van Nederlandse HBO-studenten

Tekenend is dat er niets te tekenen valt: een afwachtende, lijdelijke houding, ik moet ze hoofd voor hoofd aankijken om een reactie op mijn vragen te krijgen, en uit zichzelf zeggen ze zo goed als niets. Fluisteren onder elkaar, naar buiten turen, krabbelen in de kantlijn van hun schrift, zo komen ze het uur door. De weetgierige student heeft plaats gemaakt voor een slag dat niets wenst te weten.

Kruithof beklaagt zich in de roman over de apathie van zijn studenten, hun onwil om zich voor hun studie in te zetten, hun geringe algemene ontwikkeling en hekelt de neiging van sommige (met name vrouwelijke) studenten om op hun lijst ook kinderboeken te willen zetten. Leg zijn ervaring eens naast het volgende citaat

Ik geef les aan vierdejaarsstudenten (aan de Universiteit van Amsterdam), maar na zestien jaar onderwijs is het gebruik van de d en de t voor sommigen nog steeds een diep geheim. Soms zit ik aan het eind van de maandagmorgen gewoon uit te leggen: stam + t. Er is er altijd wel een bij die over jeugd- en kinderliteratuur wil schrijven. Dat verbied ik meteen. ‘Daar ben je nu te groot voor’, zeg ik dan. Ik ben een zeikerd van een docent.
Nee hoor, studenten zijn niet dommer dan vroeger. Ze hebben alleen slechter les gehad. Er zijn nooit eisen aan ze gesteld. Als ik vraag: wat willen jullie leren? dan weten ze het niet. Wat ik zie is een ongelofelijke besluiteloosheid.

(Michaël Zeeman, in een interview met Elisabeth Lockhorn, oktober 2001)

(Michaël Zeeman)

En dit alles wordt volgens sommige Nederlandse schrijvers nog erger door fenomenen als het studiehuis (meer verantwoordelijkheid van de leerling voor zijn eigen leerproces, de docent fungeert ‘slechts’ nog als begeleider), en/of de invoering van profielen als Cultuur en Maatschappij en vakken als Culturele Kunstzinnige Vorming. 
De leerling gaat er in het studiehuismodel zelf op uit en verzamelt informatie over tentoonstellingen, kunst en literatuur, vormt zijn eigen leesdossier, waarbij de literair-culturele canon onder druk komt te staan, die de afgelopen twintig jaar toch al zoveel aanvallen te verduren heeft gehad. In de visie van bepaalde schrijvers komt het studiehuis hierop neer: leerling, zoek het zelf maar uit: wat artikeltjes knippen hier en wat tijdschriftpassages jatten daar, alles letterlijk overschrijven (met slechts tachtig taalfouten), een beetje husselen en roeren, lijmpotje erbij, alles netjes aan elkaar plakken, klap eens in de handjes blij-blij-blij, klaar!
En in het studiehuis behaalt de leerling dus zijn ‘diploma Scharrelkip’ (alweer Kruithof, maar de studiehuismethodiek wordt behalve door Kruithof ook aangevallen door de schrijvers Willem van Toorn, Piet Gerbrandy en in de roman ‘Hajar en Daan’ uit 2004 van schrijver en leraar Robert Anker). Het onderwijs anno jaren 2000 gedegradeerd tot een gesubsidieerde biologische legbatterij, waar Multatuli sprak van een zwemschool voor jonge eenden. En dat alles is natuurlijk ‘allemaal de schuld van de Mammoetwet’, waardoor minder leerlingen deelnamen aan klassiek-culturele vorming en zij dus ook geen kennis opdeden over het Nederlandse culturele erfgoed.  En alle in het onderwijs aangerichte rampen hebben de goedkeuring van de bezuinigingsgeile minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap: ‘het is een eerloos slag dat ons regeert’ (Kruithof in ‘Het slotfeest’, 2004).
Kruithof verhaalt eigenlijk in romanvorm wat het Sociaal Cultureel Planbureau al eerder constateerde en analyseerde in de Millenniumpublicatie ‘Oud en Nieuw 1999-2000’, ‘Kunst uit de gratie van studenten’:

Aan de universiteit veranderden zowel de idealen als de organisatie van het onderwijs. De Bildungsidealen van het vroegere universitaire eliteonderwijs zoals eruditie, welsprekendheid en kennis van culturele canons, maakten plaats voor een massa-hoger-onderwijs met op maatschappelijke toepassing gerichte beroepskennis. Het halen van op maat gesneden modulen nam de positie in van de vorming van een brede algemene ontwikkeling, waartoe ook de culturele belangstelling behoort.
In de periode tussen 1983 en 1995 veranderde de universitaire organisatie van stijl. ‘Oude stijl’ studenten maakten plaats voor ‘nieuwe stijl’ studenten. Verkorting van de studieduur en later ook controle op de studievoortgang zijn kenmerkend voor het studeren onder het ‘nieuwe stijl’ regime. Studenten werden aangespoord om harder te studeren en sneller hun diploma te halen. Mogelijk heeft dit de gelegenheid tot culturele activiteit aangetast.

In de roman van Kruithof zijn het echter juist de studenten in de culturele vakken die een lamlendige indruk maken, alles is hen teveel: ‘De wil te veranderen, iets te worden, een bepaald vak te beheersen, ontbreekt, of die houden ze diep geheim: misschien niet ‘cool’ of ‘stoer’ genoeg. Ze zijn student geworden omdat de tijd nu eenmaal verstrijkt: je krijgt borsten, of de baard in de keel ()’.
Het zijn echter allemaal geluiden die van alle tijden zijn en die bij vele schrijvers zijn vernomen, reeds in de Middeleeuwen en niet alleen in Nederland! In de zestiende en zeventiende eeuw werd er al geklaagd over het schrikbarende niveau van Nederlandse studenten, die liever universiteitsteden terroriseerden dan aan de universiteit zelf te vertoeven, en als ze daar al vertoefden, zaten zij vol builen van nachtelijke vechtpartijen of alcoholvergiftiging.
Ook de discussie over de status van de leraar heeft eeuwigheidswaarde. In ‘Lof der Zotheid’ (1511) schetste Erasmus de status van de leraar reeds als volgt:

‘De schoolmeesters bekleden de eerste plaats, die het allerrampzaligst, treurigst en bij de goden het meest gehaat zou zijn. Alhoewel zij hun leerlingen niets dan domheid instampen, weten zij het toch, met allerlei kunstgrepen, tot mijn verbazing zover te brengen dat malle ouders hen voor diegenen houden voor wie zij zichzelf uitgeven.’

Multatuli trok al ten strijde tegen het belabberde onderwijsbeleid van Thorbecke. Bordewijk (zelf leraar geweest in Den Haag) baseerde zijn roman ‘Bint’ mede op het als slap beoordeelde beleid van de toenmalige minister van Onderwijs (Marchant) – Bordewijk zelf in De Stokroosstem, het orgaan van het Stedelijk Lyceum in Den Haag: ‘Volgens mij moet de leraar op school een despoot zijn; dat is de enige manier waarop hij iets bereiken kan’.
En dan had je ook nog de Nederlandse letterkundige dr. W.J.C. Buitendijk, die in 1949 door het land treinde en radiopraatjes hield om te waarschuwen ‘tegen de verontrustend gedaalde algemene ontwikkeling van abituriënten der Middelbare scholen’ en het onderwijsbeleid in algemene zin. In het buitenland schreef de Spaanse filosoof Ortega y Gasset al in 1930 in zijn ‘The mission of the university’ dat de universiteiten slechts ‘culturele barbaren’ afleverden en verder zijn er de ook niet deftige maar desondanks profetische woorden van, opnieuw, Gerard Reve:

‘Binnen één generatie zal de jeugd niet meer kunnen lezen noch schrijven. Van lieverlede beginnen nu mijn boeken ‘veels te moeilijk’ te worden voor de middelbare schooljeugd. Maar tegenwoordig kent niemand meer Nederlands, en worden de koeranten volgeschreven door ongeletterde apen en bunzingen’
(Reve in ‘Brieven aan geschoolde arbeiders’ uit 1985 en in tal van interviews).

Tegenwoordig wordt veel geklaagd over het lage niveau van lerarenopleidingen; de van de opleidingen uitgestroomde studenten zouden bijvoorbeeld amper kunnen rekenen. Ook dat is oud nieuws. Pakken wij de examenverslagen leraar Nederlands uit de jaren vijftig van de vorige eeuw erbij, dan kunnen wij de vele klaagzangen van de examinatoren lezen, bijvoorbeeld over het aantal studenten dat in provinciaals dialect spreekt (zoiets mocht blijkbaar niet voor de klas komen te staan)

De commissie is van oordeel, dat het actieve taalgebruik (zowel mondeling als schriftelijk) bij veel kandidaten ernstig tekort schiet. Wie zich telkens vaag uitdrukt of naar bijna ieder woord moet zoeken dan wel in een reeks anakoloeten spreekt, maakt zelden de indruk de gesprekstof  van het examen te beheersen. De commissie acht het bedenkelijk, dat nog zoveel kandidaten, van wie een groot deel zelfs reeds bij het onderwijs werkzaam is, een sterk gekleurd regionaal Nederlands spreekt. Zij staat afwijzend tegenover de Limburgse al te gesloten eu-eu en oo-klanken en de Hollandse al te diftongische varianten hiervan. Een licht palatale g wordt door haar aanvaard, mits het een fricatief blijft.

In de Examenverslagen uit die tijd (jaren vijftig) oordeelden de commissies ook al dat de kennis van de vaderlandse geschiedenis bij aankomende leerkrachten sterk onderontwikkeld was.
De teloorgang van het geschiedenisonderwijs wordt vaak aangeklaagd in de Nederlandse literatuur (‘Tweede Wereldoorlog? Was er dan ook een eerste?’), ‘de’ Nederlandse student lijkt een geschiedkundige analfabeet. Van Jacques Kruithof, Willem van Toorn, Gerard Reve tot Martin van Amerongen, allemaal hebben zij hun nood geklaagd over de infantilisering van het Nederlandse onderwijs, waar ‘vaardigheden’ belangrijker worden gevonden dan kennis. Martin van Amerongen wees op onderzoeken naar de algemene ontwikkeling van Nederlandse studenten van de universiteit Leiden en de bedroevende resultaten daarvan (‘Maarten Luther was een Amerikaans negerleider, Marinus van der Lubbe een wielrenner, de politionele acties vonden plaats in het Vondelpark en op de Dam’). Nog een mooi voorbeeld: Uitgeverij Van Oorschot ontving enige jaren geleden een verzoek van een studentenvereniging uit Eindhoven om ‘uw gewaardeerde auteur Menno ter Braak tegen gepast honorarium een lezing te laten verzorgen’. (Ter Braak overleed in 1940!).
Dat is iets wat men in hedendaagse Nederlandse (en Vlaamse) romans over leraren regelmatig tegenkomt, reeds ver voor het zojuist afgesloten parlementair onderzoek onderwijsvernieuwingen: frustratie over het geringe (basis)niveau van leerlingen en studenten, het volslagen gebrek aan algemene ontwikkeling en een overheid die, ondanks alle mooie woorden, het onderwijs verwaarloost, waarvoor vooral de Partij van de Arbeid verantwoordelijk wordt gesteld: de middenschool, de basisvorming, het voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs, het studiehuis,  ondanks het onderliggende beleidsoptimisme allemaal ondoordachte projecten. Schrijvers die dit beweren, of hun personages hierover uitspraken laten doen, zitten meestal zelf in het onderwijs. De roman ‘Hajar en Daan’ (2004) van schrijver en leraar Robert Anker is wat dit betreft illustratief.  De leraar in deze roman (en zijn genregenoten) is goed ingevoerd in de vakinhoudelijke kanten van het beroep, maar heeft tegelijkertijd de aansluiting met de leerlingen en collega’s verloren, mede door de energieverslindende aanpak van maatregelen die door het ministerie van OCW worden opgelegd. De zuurgraad tussen de collega’s onderling en in de docentenkamer is hoog. In die categorie romans waarin het lerarenpersonage al wat ouder is, wordt nog slechts de tijd uitgezeten tot de pensionering: ‘het zal mijn tijd wel duren’.
(In de tijd van Multatuli tot en met Carry van Bruggen zijn het overigens de liberalen die door schrijvers verantwoordelijk werden gesteld voor het beroerde onderwijsniveau; leerlingen werden volgens hun visie slechts opgeleid tot ‘werktuig’ van de overheid, teveel kennis was niet goed voor de mensen, het (liberale) establishment verhinderde vrij onderwijs omdat men vreesde dat dit de eigen ondergang in de hand zou werken, aldus Multatuli.)

En dan de marktwerking in het onderwijs, een modern liberaal stokpaardje, dat is de goden verzoeken, afgaande op de beeldvorming in moderne onderwijsromans: de overheid heeft van het onderwijsbeleid een rommeltje gemaakt, vervolgens trekt de overheid zich terug onder het mom van deregulering, autonomie en nog wat abacadabra, wat erop neerkomt dat de scholen zelf de puinhopen mogen opruimen van dertig jaar onderwijswanbeleid en daarvoor in de vorm van lumpsumgeld worden afgekocht. In het onderwijs heerst in het vervolg de dictatuur van het markt- en rendementsdenken en de terreur van de studentenaantallen.
Doch: marktwerking kan fraude uitlokken. Maar fraude in het onderwijs lijkt van alle tijden. Neem bijvoorbeeld de verhalenbundel ‘Aanklacht tegen onbekend’ uit 1987, bekroond met de Bordewijkprijs, let op de titel, van de Limburgse schrijfster en ex-lerares Hermine de Graaf: ‘ik ben jarenlang lerares geweest in Venray. Te lang’.
Hermine de Graaf stipte al in 1987 fraude met leerlingaantallen aan. Het verhaal ‘Licht en Kracht’ handelt over klassiek Limburgs gesjoemel aan een katholiek Limburgs schooltje van meester Muts:

Altijd hetzelfde gezeur met de inspectie over klassen, aanmeldingen en een school die te klein zou zijn om te mogen voortbestaan. Idee: alle geestelijk gehandicapte kinderen van het naburige christelijk internaat ‘Licht en kracht’, waar de broer van meester Muts aan het hoofd staat, aan de leerlingenlijst toevoegen. Fraude? Welnee, gewoon een boekhoudkundig foefje, aldus meester Muts. () Iedereen werkt mee, het is allemaal een groot complot.

(Hermine de Graaf)

Onderwijsinspecteurs behoren geconstateerde onrechtmatigheden aan de minister te rapporteren en doen dat natuurlijk niet. Neem de roman ‘Ante Diluvium’ (1998) van Willem Brakman, over fictieve leerlingen in het openbaar onderwijs.

Het gemeenteraadslid wilde de inspecteur eerst niet ontvangen daar hij naar eigen zeggen belangrijker problemen had die zijn aandacht volledig opeisten, daarna hoorde hij de rekwestrant met tegenzin aan. Zwijgend wenste hij de schoolinspecteur daarbij naar de duivel, maar plotseling richtte hij een fonkelende blik op de in gebogen houding op antwoord wachtende gestalte en zei bits: ‘mag ik u een glaasje van het een of ander aanbieden?’ ‘Graag’, zei de inspecteur, ‘als ik u niet ontrief’. ‘Let wel’, zei het gemeenteraadslid,  ‘geen melding in welke vorm dan ook van het onderhavige geval tegen wie dan ook.’ ‘Een likeurtje mogelijk?’ zei de inspecteur bescheiden.

In de op ware feiten gebaseerde roman ‘Voor God en de Sociale Dienst’ (2000) van de Haarlemse schrijfster Nicolien Mizee wordt het leven beschreven van de jonge Cilia. Op een dag weigert zij als 16-jarige terug te keren naar haar middelbare school en meldt zich aan voor een opleiding bij het volwassenenonderwijs, om het nog een keer te proberen. Als 16-jarige heeft zij daar echter dispensatie voor nodig, die haar aanvankelijk wordt geweigerd. Maar zie: haar vader, zelf leraar, kent de onderwijsinspecteur persoonlijk en voor twee borrels is deze bereid een briefje te schrijven waarin hij de instelling sommeert Cilia toe te laten. Zij is echter te jong om al eindexa men te doen

Opnieuw belde mijn vader de inspecteur, de  toestemming lag de volgende dag in de bus, en in augustus meldde ik me aan voor het eindexamenjaar.

Maar het ministerie van Onderwijs – ‘die Haagse nieuwlichters’ –lijkt niet altijd op het achterhoofd lijkt gevallen. Zie de roman ‘Rooie’ (1991) van Willem van Toorn

Het ministerie had voor de verandering eens snel gewerkt. Mol had een brief gekregen dat ons schooltje aan het eind van dat schooljaar zou worden opgeheven.

Aan de deskundigheid van de ambtenaren op het ministerie wordt in de verhalende Nederlandse literatuur echter regelmatig getwijfeld.

Als je wilt weten wat een leraar eigenlijk kost, kun je natuurlijk naar het ministerie van Onderwijs gaan en dan krijg je allerlei onzinnige antwoorden.
(Midas Dekkers, ‘De leraar als biologisch verschijnsel’, 1994)

Toch, die ambtenaren op Onderwijs verbeelden zich heel wat, ondanks hun geringe kennis van zaken, en zij zetten in romans een hoge borst op wanneer lieden uit het onderwijsveld zomaar op audiëntie op het departement mogen komen

Twee ambtenaren van de directie Algemeen Voortgezet Onderwijs, die, omdat zij zo onmiskenbaar ambtenaar waren, imposant leken
(Paul de Vaan, ‘Rijksscholengemeenschap Rietstad’, 1981)

Paul de Vaan (pseudoniem van J.P. Naeff, 1926-1988) was naast schrijver ook rector aan het Rijnlands Lyceum in Oegstgeest, en sloot zijn loopbaan af als coördinerend inspecteur Voortgezet Onderwijs. Verder heeft De Vaan in de Nederlandse onderwijswereld meerdere betrekkingen gehad, zo was hij bijvoorbeeld ook voorzitter van de Commissie Modernisering Leerplan Moedertaalonderwijs. In die hoedanigheden heeft Paul de Vaan het ministerie van Onderwijs veel van binnen gezien.
In zijn roman ‘Rijksscholengemeenschap Rietstad’ (1981) beschrijft De Vaan een bezoek van een schoolbestuur uit Rietstad (lees: Gorinchem) aan het ministerie van Onderwijs en Wetenschappen, om een aanstaande fusie in goede banen te leiden.
De vergadering op het statige  departement van Onderwijs en Wetenschappen (de directie Algemeen Voortgezet Onderwijs zetelde destijds aan de Haagse Oostduinlaan) wordt een deceptie. De voorzitter van de directie Algemeen Voortgezet Onderwijs wordt omschreven als een treurige ‘stakkerd’, wiens onderwijsvuur al lang is gedoofd, en die grappig wil zijn met belegen vergaderjargon en bij de koffie wat goedkope ministeriecake serveert.
Hoe keek men tegen die vergaderingen op het ministerie van Onderwijs aan?

En alle collega’s en al die inspecteurs, die er ook maar verveeld bijzaten. Je kon moeilijk wegblijven…

De verenigde rectoren en inspecteurs zitten de vergadering toch manmoedig uit, want zij weten dat het ministerie van Onderwijs na afloop, als beloning voor alle doorstane ellende, ‘enige rijksborrels aanbiedt’. Slimheid en slagvaardigheid lijken dus niet aan de ambtenaren van het ministerie van Onderwijs besteed.
Geen wonder dat leraren en schooldirecteuren, met tientallen jaren onderwijservaring, zich niet zomaar laten wegzetten door die ambtenaren op Onderwijs.
Schrijver en leraar Jan Siebelink  noteert in zijn roman ‘Schaduwen in de middag’ (1987), ook over een overleg bij Voortgezet Onderwijs:

De rector zette iedereen naar zijn hand. Ook op het ministerie van Onderwijs. Slaagt er steeds weer in de ambtenaren van hun ongelijk te overtuigen. Geen school in Nederland krijgt per leerling zoveel geld.

‘De rectrix’ (1995) van Simon Bottema handelt onder meer over de invoering van de lumpsumfinanciering in het onderwijs en het project Vitaal Leraarschap en alle gevolgen die dit heeft voor de leerkrachten. De roman is tevens een reconstructie van de ondergang van de nieuwe rectrix Carla de Rijk Bezemer aan het Amsterdamse Anna Bijns College (lees: Charlotte de Vries Lentsch, later directeur op het ministerie van OCW, en haar trieste avonturen als rectrix aan het Barlaeus in Amsterdam).
Wanneer het ministerie er zelf niet in slaagt het nieuwste beleid te verkopen, kan men altijd nog zogenaamde onderwijsdeskundigen het land insturen, dit keer niet met cake, maar met lariekoek

Professionalisering! Kwaliteitsbewaking! Vitale injecties! Wederzijdse beïnvloeding van menselijke kwaliteiten en de missie van de organisatie! Met o.a. een referaat door prof.dr. Ruimveld, ‘Lumpsum, waarom?’
(Simon Bottema, ‘De rectrix’, 1995)

Er is weinig fantasie voor nodig om in deze heer Ruimveld de voormalige en zeer kortstondige staatssecretaris van Onderwijs Roel in ’t Veld te herkennen, ‘‘die er in zijn keurige Marks & Spencer outfit, met zijn grijze haar en zijn beschaafde dictie uitzag als een verlichte Anglicaanse dominee”. Prof. dr. Ruimveld legt tijdens een onderwijsconferentie plichtmatig de voordelen uit van de lumpsum-systematiek

De problemen waarmee de docent in het middelbaar onderwijs zich geconfronteerd ziet, zijn legio. Ik noem het gevaar van de kloof tussen schoolleiding en korps in grote, gefuseerde scholen; het frustrerende gebrek aan perspectief op een carrière; het allochtonenvraagstuk; de toename van geweld en criminaliteit in de hele samenleving en dus ook binnen de school; de beeldscherm- en zapcultuur  van de jeugd; de razendsnelle veranderingen in wetenschap en techniek die hun weerslag hebben op het onderwijsveld – al deze zaken vragen flexibiliteit en wendbaarheid van de onderwijsinstellingen. De conclusie van mijn verhaal moge duidelijk zijn. Met lumpsum krijgt de schoolleiding een krachtig stuk gereedschap in handen om flexibel te opereren, om knelpunten aan te pakken, om snel op veranderingen in te spelen, kortom: om van “problemen” weer “uitdagingen” te maken. Ik ben u allen zeer erkentelijk voor uw aandacht.

Maar prof. dr. Ruimveld is een duur betaalde praatjesmaker

Die professor Ruimveld van u vangt 16.000 per maand. Daarom word ik altijd kotsmisselijk wanneer er weer een doctorandus voor 1500 gulden per dagdeel gebakken lucht komt verkopen!

Ook een andere door het ministerie ingehuurde, erg met zichzelf ingenomen ‘onderwijsdeskundige’, luisterend naar de naam Marcus Sandwindt, vangt bot

‘Ik geef een overzicht van de adviezen die de minister inmiddels van mij heeft overgenomen’. De onderwijsdeskundige pakte een dikke, zwarte viltstift uit de borstzak van zijn overhemd en schreef op het eerste vel:
Kwaliteitsimpuls  vitale injecties   

Meneer Sandwindt roept echter de woede op van zijn lerarengehoor – ‘niets weet u van de onderwijspraktijk, meneer de organisatieadviseur!’ – en over de ambtenaren van het ministerie van Onderwijs denkt men aldus

Meid, waarom ga je niet voor een veelvoud van het lerarensalaris bij het ministerie van Onderwijs werken? Kan je lekker de hele week orakelen over doelmatigheid en efficiency!

Of, ook al met ingehouden woede geciteerd ministerie-jargon (omdat het ministerie de dingen altijd net iets leuker voorstelt dan de werkelijke praktijk en daarbij gebruik maakt van kleutertje luister-jargon om het lerarenvak een beetje op te leuken)

Een nieuwe term deed zijn intrede. De docent behoorde in de naaste toekomst een coach te zijn, een kwaliteitsbewaker van het leerproces, een regisseur van het leren
(Jan Siebelink, ‘Bloemen voor Oscar Kristelijn’, 1998)

Die ‘regisseur van het leren’ is de moderne leraar in het studiehuisconcept. Willem van Toorn noemt in ‘Het kind van de rekening’ (1998) het studiehuis een nageboorte van Van Kemenade’s middenschool, en zie wat Jacques Kruithof hierover meldt

Het plan is een erbarmelijk allegaartje uit de laatste dertig jaar: projectonderwijs, vakkenintegratie, audiovisuele middelen, tot de speurtocht aan toe, en uit de grafkelder van de vampier Van Kemenade herrijst diens zombie: de leraar zonder inhoud, het holle vat, de goedkoopste chocolade paashaas.
(Jacques Kruithof, ‘Het slotfeest’, 2004)

Want die beleidsmakers op Onderwijs denken het toch allemaal beter te weten:

We weten ook allemaal – een ervaringsfeit – dat onze werkelijkheid in het lokaal altijd moet wijken voor de Zoetermeerse Waarheid zodat je kunt stellen dat al die miljarden verslindende, uit ideologie geboren maatregelen ongetwijfeld van nut zijn geweest – voor drie procent van de leerlingen.
(Robert Anker, ‘Hajar en Daan’, 2004)

Wanneer de ambtenaren op hun donder krijgen, is er gelukkig altijd nog de secretaresse van de minister, die precies weet hoe de zaken reilen en zeilen

Ik vind dat u veel te hoog denkt van zo’n minister, zeker van deze. Ik maak hem dagelijks mee. Het is maar een heel gewone man die zich vooral zo gewichtig voordoet omdat anderen hem zo maken, of het hem aanpraten dat het belangrijke dingen zijn waarover hij beslist. Maar dat weet u toch ook wel, u hebt toch wel meer met dat soort mensen te maken gehad? U kent de politiek toch een beetje? Daarom hoef ik u toch niet te vertellen dat u zich niet door hem moet laten intimideren? Dat proberen ze natuurlijk altijd, daar vang ik zo vaak gesprekken over op, als ze het weer over hun strategie hebben.
(Klaas de Jong Ozn, ‘De column’, 1992)

‘De column’ is een lang verhaal over Albert Pistorius, een wat labiele directeur van het ministerie van Onderwijs, die door het ministerie op een zijspoor is gezet en is belast met een – thuis, niet op het departement – te schrijven onderzoeksopdracht

Waarom had hij destijds op het departement al die activiteiten ontplooid voor de vernieuwing van het onderwijs? Zo uitgesproken dat Wentinger, die veel minder vernieuwingsgezind was, hem aan de zijlijn had gezet? En Mansman had hem ook niet teruggenomen.

(Mansman is de nieuwe minister van Onderwijs, de opvolger van minister Wentinger.)
De schrijver van ‘De column’, Klaas de Jong Ozn., is van 1975 tot en met 1981 staatssecretaris van Onderwijs geweest (voor de ARP, later opgegaan in het CDA)
‘De column’ is opgenomen in de bundel ‘Kiezen: twee novellen’, in beide novellen behandelt De Jong Ozn. het thema: hoe je integriteit te bewaren in een omgeving waar politieke of commerciële belangen in het spel zijn.

Tot zover een eerste oriëntatie op de beeldvorming over het onderwijs(beleid) en het leraarschap in de Nederlandse romanliteratuur. Natuurlijk vallen vooral de romans op van schrijvers die zelf in het onderwijs werkzaam zijn (geweest), of die zelfs betrekkingen hebben gehad als onderwijsinspecteur of staatssecretaris van Onderwijs.
Uit de bovenvermelde passages blijkt ook dat de sedert lang levende beeldvorming nog steeds de actualiteit inhaalt in plaats van andersom: een negatief imago houdt zichzelf nog lang in stand, hoeveel sprongen voorwaarts de drager van dat imago ook denkt te hebben gemaakt. Het onderwijs is soms een slangenkuil, waar gevestigde belangen moeten worden bevochten ten koste van het onderwijspersoneel en ambitieuze bewindslieden. Soms neemt een nieuwe minister van Onderwijs onmiddellijk het imago over van zijn/haar voorganger(s)

Hoe komt het toch, dat er op Onderwijs altijd een uilskuiken zit, dat er ook zo uitziet? De huidige incompetente vlerk heeft weer eens een ‘tegenvaller’, ditmaal  van zestig miljoen, geld dat de scholen nodig hadden. Hij neemt het niet op voor de mensen die aan zijn zorgen zijn toevertrouwd, daar doen ministers niet aan.

(Jacques Kruithof, ‘Het slotfeest’, 2004)


By on 07:08
ONDERWIJSBEELDVORMING IN DE VLAAMSE LETTEREN

In de Vlaamse literatuur zijn veel voorbeelden aan te wijzen van romans die afrekenen met het onderwijsstelsel, verweven met de ijzeren hand van de katholieke kerk,  het rechtse zakenleven en de conservatieve rechterlijke macht. Soms gebeurt dat met een ongekende felheid, een felheid die we in de Hollandse literatuur minder terugvinden. Het betreft vooral romans uit de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw. Het engagement van Vlaamse schrijvers is traditioneel veel groter dan die van Nederlandse schrijvers, zij hebben tot ver in de vorige eeuw tegen censuur en in beslagname van hun werk moeten vechten. Dwars door de schoolstrijd heen liep de taalstrijd, enfin, de geschiedenis van Vlaanderen is een boeiend epos, lees er de kranten van de afgelopen maanden maar op na. Een korte verkenning in de Vlaamse letteren.

De leraar geschiedenis uit de roman ‘Zonder clan’ (1962) van Jef Geeraerts ontvlucht de hel van het onderwijs en barst in een stream of consciousness uit in een grote, agressieve, ironische uitval tegen het schoolsysteem.
De titel ‘Zonder clan’ verwijst naar het onderwijssysteem, waarbij leerlingen worden ingekapseld in een harnas van opgelegde normen en waarden, worden opgesloten in ‘de clan’ van een religieus-economisch schoolsysteem:

Ook de vaders waren gevormd geweest in dezelfde uitstekende leerschool waar nu de zonen zich op het echte leven voorbereidden volgens strenge regels want de jeugd moet kortgehouden worden later mogen ze wel eens uit de band springen hoewel niet te erg want wee hem die ergernis geeft hem is de molensteen beschoren de basis moet solide zijn dit alles nietwaar stond klaar en duidelijk vervat in het reglement van het college waarin werd verboden werd op straat te lopen te fluiten te spelen te roken het nabije stadspark te doorkruisen wegens al te frivole beeldhouwwerken langs omwegen naar huis terug te keren herbergen theaters bioscopen te bezoeken gescheiden ouders te hebben tijdens de uren normaal aan studie gewijd buitenshuis te vertoeven

Met zijn vroege roman ‘De verwondering’ (1962) schreef Hugo Claus zich al bijna naar een kandidatuur voor de Nobelprijs voor de literatuur. Het is een roman die een ingewikkelde structuur kent, waar werkelijkheid en waan door elkaar lopen, een roman met verschillende vertelperspectieven, en waarin het hoofpersonage De Rijckel gaandeweg desintegreert en (dus) leraar is; een roman bovendien, die op zijn minst zo intrigerend en spannend is als ‘Bint’ van Bordewijk, misschien niet eens zozeer door wat er in de roman wordt beschreven, maar meer nog door wat er niet wordt beschreven; er hangt tussen de Prefect en zijn leraren een sinistere sfeer, de roman kent een raadselachtig verloop

De Prefect drukte de leraar de hand en hield in tegenstelling met wat hij bij de andere leraars deed, zijn handschoen aan. De leraar loste de hand in de grijze suède-handschoen niet en dacht: ‘wat scheelt er mij? Wat gebeurt er met mij?’

Op de dezelfde bladzijden (10-11) van de roman lezen we

Toen de leraar bij zijn klas kwam, werd de rij stil. Hij wendde haar zijn rug toe en hoorde haar achter hem de trap opkomen, de jongens met de slepende schoenzolen, het getik der meisjeshakken. Zij deden hem niet na, zoals zij het heel vaak Malaise, Scheikunde, lapten, wiens waggelgang zij imiteerden, overdreven tot het soms, ongeremd, oversloeg en er een bende epileptici achter Malaise, Scheikunde, de trap naar boven klom, krampachtig en kermend en zwaaiend. Zij plaagden hem ook nooit. Dat maakte de leraar soms onrustig. En soms betrapte hij zichzelf er op dat hij hun had willen vragen welke bijnaam zij voor hem verzonnen hadden, want in de leraarskamer was daarover niets bekend.

Waar de leerlingen bij andere leraren tonen normale levendige en pesterige kinderen te zijn, daar gedragen zij zich in de klas bij de leraar De Rijckel als zwijgende schimmen.
Er is geen enkele weerstand, geen enkele reactie vanuit de leerlingengroep

Waarom deze groep en die in de andere klassen hem als een uitzondering beschouwden, was de leraar een raadsel. Hij zou het nooit weten. Hij transpireerde. Veegde verwonderd zijn zweet af. Zijn eigenschappen en ondeugden tot een sommetje bij elkaar rekenen, dat vergelijken met de som van de andere leraars, het afwegen aan de som van anderen buiten de school, zijn weinige bekenden, zijn ex-vrouw bijvoorbeeld, het bracht geen oplossing. () Hij was een uitzondering. Een naar, heftig woord. Neen, hij was geen uitzondering.   

De leerlingen zitten tam voor hem, ‘zitten honkvast in hun gewoonten en zeden van vijandelijk kamp’. Dan, de les is nog niet ten einde, verschijnt de Prefect in de klas

Ja. De Prefect, omdat de leraar niet verroerde, knikte. Ja, Ja, sukkel, je mag je lesuur beëindigen voor de bel geluid heeft, hou er maar mee op, en kom hierheen, rennen! Het gladgeschoren, gretig hoofd hapte een toffee naar binnen. De leerlingen, op het teken van de leraar, sloegen hun lessenaars zachter dicht dan gewoonlijk, stonden kalmer recht, verzamelden zich fluisterend op de gang. In de lege klas, terwijl de leraar een raam sloot, zei de Prefect dat er een vergadering was die avond en dat de redenaar (hij! De Prefect! De geachte spreker!) moest ingeleid worden. De leraar antwoordde dat hij nog de studie van zes tot zeven te bewaken had. Dan heeft u nog ruimschoots de tijd, vond de Prefect die wist dat de leraar van zijn vrouw gescheiden leefde en zijn avondmaal haastig in goedkope restaurants gebruikte.

 

(Hugo Claus)

Drie jaar na de romans van Geeraerts en Claus verscheen de roman ‘Een dag als een ander’ (1965) van Julien Weverbergh, ex-leraar, een veel beroering verwekkende satirische aanklacht tegen het Vlaamse onderwijssysteem. Alle kritiek en onrust die het boek veroorzaakte, was voor Weverbergh reden om het boek een paar jaar later opnieuw uit te brengen, een werkwijze die tevens Weverberghs bewondering accentueerde voor de compromisloze Nederlandse schrijver E. du Perron, over wie Weverbergh regelmatig publiceerde.
De verhalenbundel ‘Laatste schooldag’ van Jan Siebelink vertoont grote overeenkomsten met de roman ‘Een dag als een ander’ (1965) van de Vlaamse schrijver en ex-leraar Julien Weverbergh. De roman is in tien hoofdstukken onderverdeeld, en in ieder hoofdstuk komt een andere leraar aan het woord, van leraar Nederlands Willems tot en met rector (prefekt) Hein Pereboom in het laatste hoofdstuk, die zich rechtstreeks tot de schrijver wendt met een zogenaamd verweerschrift.
Net als bij Siebelink, ontbreekt iedere solidariteit tussen de leraren en is er sprake van een autoritaire, zeer conservatieve rector, die er zeer eigen opvattingen op nahoudt: ‘het past niet dat een ondergeschikte de hand uitsteekt naar zijn overste. Ik heb niet de gewoonte gemeenzaam met mijn ondergeschikten om te gaan.’ Lesbevoegdheid zegt deze rector niets: ‘die aggregatie, meneer, dat is een vod papier. Dat maakt van u geen leraar. Knoop dat vooral in uw oren.’
In een land als België, waar gevoel voor hiërarchie een veel grotere rol speelde dan in Nederland, veroorzaakte de roman van Weverbergh een ware schokgolf. Nog niet eerder werden autoriteiten zo aangevallen als in dit boek, werden leraren zo bekrompen afgeschilderd. Zelfs de minister van Onderwijs kwam in het geweer tegen de roman van Weverbergh, onderwijsgevend Vlaanderen trilde op de grondvesten.
Slechts Marchand, de tekenleraar, weet enigszins partij te bieden aan de bullebakkenmentaliteit van de rector, een rector die zich god-de-vader waant, die geen enkel verstand heeft van pedagogiek. In de woorden van de leraar Frans, Luc Warens, is de rector Hein Pereboom:

‘een machtswellusteling. Geen enkele schoolse aktiviteit wordt met zoveel ernst voorbereid en uitgevoerd als de jaarlijkse heilige mis en de daarop volgende groet aan de Vlag. Zijn borst zwelt op als hij dan leerlingen en ondergeschikten toespreekt. De woorden Helden, Onze Heilige Instellingen, Vaderland en Plicht zijn sleutelwoorden tot zijn denkwereld. Hij is een opgeblazen rotvent, die niets weet van de reële waarden in de samenleving. Hij is een rotvent die iedere vrije meningsuiting als een aanslag op ‘zijn’ gezag ziet. Hij is een rotvent, die iedere persoonlijkheid knakt. Hij is een rotvent, een typisch produkt van onze nivellerende maatschappij die schijnwaarden als grote lichten aanbidt. Hij is een rotvent, die klakkeloos alles slikt wat onze beschaving hem als verheven wil aansmeren. Hij is een vurig anti-communist, een vurig gelovige, een vurig dienaar van het gevestigde gezag’.

Hein Pereboom regeert met ijzeren hand over zijn school, zijn leraren. Net als in de verhalen van Siebelink, wordt van iedere leraar verwacht dat hij deelneemt aan buitenschoolse activiteiten. Met name tombola’s behoren tot de favoriete evenementen van rector Hein Pereboom, waarvan de opbrengsten op mysterieuze wijze verdwijnen. Iedere leraar wordt geacht aan buitenschoolse activiteiten mee te werken. Doet hij dit niet, dan

‘ben je de minste der minsten, dan heb je geen belangstelling voor het kind, de school, het onderwijs’. Of: ‘de deur staat open mijnheer. Als het u bij mij, in mijn school niet bevalt, dan gaat u maar naar een andere school. Of u zoekt maar een andere baan.’ En als een kudde schapen laten duizenden onderwijsmensen in ons land zich met al dat fraais in de doeken leggen.

Dat onderwijsinspecteurs in onderwijskringen ook wel lang als ‘onderwijsgestapo’ werden aangeduid, wordt invoelbaar door romans als ‘Een dag als een ander’. Macht schurkt tegen macht aan (rector en inspecteur), holhoofdige lieden die hun hoge ambt enkel hebben verkregen door hun politieke vriendjes. Samen wijzen zij de machteloze leraar op zijn nietige plaats in de schoolhiërarchie. Slechts in stilte kan de leraar zich verzetten tegen zoveel samengebalde vernedering

Waarom zou je luisteren naar de opmerkingen van een heer die door toeval je baas werd en het heus niet tot inspecteur gebracht had wegens zijn pedagogische bekwaamheden… Wie geeft hem het absolute recht te oordelen over zulk een subtiele zaak als de omgang met leerlingen? Is het niet absurd van de ene dag op de andere mensen te promoveren tot rechters over de daden en handelingen van hun medemens op grond van alleen politieke overwegingen?

Gezamenlijk hebben de rector en de inspecteur de grootste schik wanneer de laatste een voorbarig oordeel velt over de bekwaamheden van een ervaren leraar

‘zo jong bent u toch niet? Hm, u heeft waarschijnlijk erg lang over uw universitaire studies gedaan. Hm, ja, we kennen dit soort studenten. Uw les vertoonde dan ook al de kenmerken van een beginneling. En ik druk mij zacht uit. Ik zou moeten zeggen, mijnheer, u kunt geen les geven. U hebt niet het minste benul van wat een klas is, van wat een klas vraagt. De psyche van de leerlingen ontgaat u helemaal. Tussen u en uw klas, mijnheer, hangt een ijzeren gordijn’.         

Tot een gezamenlijke opstand tegen zoveel onrechtvaardigheid komen de leraren aan deze atheneumschool echter niet; net als bij Siebelink laten de leerkrachten zich gewillig gebruiken in het verdeel en heers-spelletje van de hoge onderwijsheren.
Zoals al eerder in deze beschouwing vermeld, wemelt het in de Vlaamse literatuur van literaire aanklachten tegen het vermeende corrupte onderwijssysteem. Bij ex-leraar Nederlands Clem Schouwenaars zijn onderwijsinspecteurs en schooldirecteuren even verderfelijke sujetten als bij Weverbergh, hangen zij politiek dubieuze overtuigingen aan of verkeren in duistere kringen als de Vrijmetselarij.

Dan de leraren onderling. Een overeenkomst met de verhalen van Siebelink is het volstrekt ontbreken van collegialiteit onder de leerkrachten. Zij roddelen over elkaar, bekritiseren elkaars lesmethodieken, kortom, tonen zich van hun kleinzielige kant. Wie wil overleven binnen een systeem, moet voor zichzelf kiezen, ten koste van collega’s. Leraar (‘mijnheer’) Willems, leraar Nederlands, is erg met zichzelf ingenomen

De eerste vereiste van degelijk onderwijs – en het onderwijs dat ik verstrek is degelijk, dat wordt me herhaaldelijk door de Heer Prefekt bevestigd – is een vertrouwelijke sfeer in de klas. Maar opgepast: een vertrouwelijke sfeer, maar geen vertrouwelijkheden. Ik ben voor mijn leerlingen als een vader, maar een vader dan die de wijze raad van de bijbel steeds indachtig is: wie de roede spaart, bederft het kind. Deze houding tegenover leerlingen kan men slechts moeizaam verwerven. Ik kneed een klas naar mijn hand. En mijn leerlingen dragen mij op handen. ()
Ik zeg maar, beter te streng dan te zwak. Kijk nu naar die man die biologie en enkele uren natuurkunde doceert. Ik bedoel Vertongen. De jongens en meisjes klitten werkelijk aan hem. Het is ongeoorloofd. Een jonge leerkracht mag niet op zulke vertrouwelijke voet met de leerlingen omgaan. Ik zeg maar steeds: ‘een ijzeren hand in een fluwelen handschoen. En afstand bewaren!’  Dat komt kersvers van de universiteit en verwijt ons, oude rotten, dat we ouwerwetse methodes volgen en geen jota begrip hebben van het onderwijs. Zij vergeten dat precies wij hén gevormd hebben! () Maar het betaamt niet dat piepjonge kereltjes die pas van de universiteit komen oudere collega’s over de hekel halen. Ik zeg maar steeds: ‘waar gaat de wereld heen, als wij voor de overheid geen respect meer hebben?’

Dan de eerder genoemde Marchand, tekenleraar. Hij heeft zijn liefde voor het onderwijs al lang verloren, en bekijkt met lichte spot collega’s die wel bevlogen hun lerarentaak vervullen. Marchand moet zich naar school slepen, maar eenmaal daar is er ondanks alle ellende dan toch nog iets moois: jonge schoolmeisjes!

Ik geloof niet dat ik ooit genezen zal van mijn afschuw voor het lesgeven. Eenmaal in de klas en de deur achter mij toe, gaat de malaise wel over. De uren vliegen voorbij. Maar weken lang kan me de moed ontbreken om eigenlijk les te geven. Toch vrees ik de leerlingen niet. Ik laat hen vrij los. Ik heb de zin noch de innerlijke kracht hen te leiden. ()
De school is een kleine gemeenschap. De tegenstellingen en reacties zijn hevig. De omgang met mijn collega’s is een vuurwerk. Het schittert, maar ik brand me er niet aan. Ik ontpop me steeds als een vrolijke frans. Ik begrijp mezelf niet. Als ik de drempel van de leraarskamer overschrijd is het plots of ik slaapwandel. Ik zie een huid, mijn uiterlijk verschijnen zelfstandig handelen en optreden. Mijn mond spreekt zinnen die zich alleen maar vormen op mijn stembanden. Mijn hersenen hebben geen deel aan de vorming van de inhoud. Ik ben verwonderd over mijn eigen kwinkslagen. Ik ben vrij populair bij hen. Maar toch ben ik eenzaam. Want niemand kent mij. Weten mijn collega’s van mijn hunkeren naar het lichaam van de meisjes in mijn klassen?

Ook de prefekt Hein Pereboom verlustigt zich gaarne aan jong meisjesvlees, de prefekt heeft het beste met de kinderen voor, daar is hij ook prefekt voor. Tucht en orde, vaderlandsliefde en de bijbel! Dit genre rectoren vindt men geregeld terug in de Vlaamse literatuur, heertjes die graag geëxalteerd kwaken met van opwinding kloppende voorhoofdsaderen, potsierlijk geklede professoortjes die langdradig uitgesponnen betogen houden over de teloorgang van normen en waarden en over hoe het vroeger was, de heertjes brengen fraaie standpunten te berde, deftige woorden die echter al vervluchtigen nog voor zij zijn uitgesproken, en waar wat ranzige schimmel op groeit. Aan varianten van Bint geen gebrek in de Vlaamse literatuur.

Meerdere Vlaamse schrijvers namen in die tijd (maar ook eerder en later) de strijdbijl ter hand tegen het gecorrumpeerde schoolsysteem en de invloed van de kerk daarop, eensgezind trokken zij tegen de conservatieve stroom in, ook schrijvers als Marnix Gijsen (in ‘De man van overmorgen’, 1948; ‘de leraar Nederlands was een onbevoegde sukkel’).
Vermeld moet worden de roman ‘Een faun met kille hoorntjes’  (1966) van Hugo Raes (schrijver, ex-leraar Engels), een roman over een langzaam vervallende leraar, Michael Houtdrager, en waarin bijvoorbeeld wordt vermeld hoe katholieke organisaties percelen grond opkochten zodra zij vernamen dat er een school voor openbaar onderwijs zou worden gebouwd. De verhoudingen tussen het onderwijsgevend personeel, de volgzamen versus de opstandigen,  worden als volgt beschreven, in bewoordingen die doen denken aan de bijtende onderwijsstukken van Multatuli

In het onderwijs wordt alles prompt gesignaleerd, want geen milieu telt meer verklikkers of grotere zeikerds. De onderwijswezens zijn de middelmatig tot flinke leerlingetjes van vroeger, de eersten van de klas, de brave zorgvuldige en ordelijke studentjes. Het zijn de wezens die op de meest irreële manier in – of is het buiten – het leven staan: recht van de schoolbanken naar een identiek milieu, maar dan vóór de schoolbanken, en ze dragen uit. Namelijk de traditionele sfeer die ze hebben meegebracht, overgeërfd van hun meesters. Een zorgvuldig bewaard gebleven sfeer van steriliteit en bombast, van niet-essentiële dingen. Want zij beseffen niet eens de toedracht van de zaak. Een onderwijshervorming is dan ook niet mogelijk tenzij de buitenwereld er zich eens mee bemoeit, en de onderwijswezens, de klootlozen zolang op het matje wachten. Als ze al niet klootloos waren, dan zouden ze zich zelfs best willen laten castreren.

In 1985 publiceerde Raes de roman ‘De strik’, waarin hij zijn ervaringen als leraar heeft verwerkt. Raes was als leraar populair bij zijn leerlingen, maar vanwege zijn karakter niet geliefd bij zijn superieuren. Zo beschrijft hij hoe het hoofd van de school nu en dan achterin de klas ging zitten om met een rode ballpoint in de lesvoorbereidingen van Raes te gaan schrappen. Zoiets is vragen om ‘nestbevuiling’. Ook beschrijft Raes bezoeken van leraren aan Denemarken in het kader van kennis- en ervaringsuitwisselingen. Voor alles is gezorgd, onderdak, excursies en ook voor jonge meisjes om de leraren ’s nachts ter wille te zijn.

Ward Ruyslinck is een onderschat schrijver, voor altijd geassocieerd met zijn bekendste werken ‘Wierook en tranen’ (1958) en ‘De ontaarde slapers’ (1957). Maar meer betekenis heeft hij door romans waarin hij zijn sociaal engagement toont, bijvoorbeeld in het indrukwekkende ‘Het reservaat’ (1964), een utopische roman over de leraar Basile Jonas, die tenonder gaat door het dictatoriale systeem waarbinnen hij leeft, en waar zijn grootste vijand zijn rector is, rector Walvis(!). Net als bij Geeraerts is er sprake van een religieus-economisch schoolsysteem; wie zich niet aan dit systeem houdt, kan op keiharde repressie rekenen. Basile Jonas begaat de fout in zijn klas een gedicht voor te lezen, waarmee hij tegen het lessysteem van de school ingaat. Hij moet zich verantwoorden voor een streng, oosteuropees aandoend tribunaal en verdwijnt uiteindelijk naar een geheim reservaat waar kritische en afwijkende personen worden opgesloten, en op wie medische experimenten worden uitgevoerd.
In meerdere romans, zoals ook in deze, uit Ruyslinck zijn sociale kritiek op de inrichting van de samenleving. De Vlaamse letterkundige Achille Musschoot heeft de mannelijke hoofdpersonages van Ruyslinck eens als volgt gekenschetst

Het is de gekwetste, bedreigde enkeling, meestal getypeerd als een anti-held of paria in een onderdrukkende, gemechaniseerde maatschappij

en geeft hiermee tevens een uitstekende typering van de gemiddelde leraar in de meeste (onderwijs)romans in de Nederlandstalige literatuur.

(

Tom Lanoye)

De populaire Vlaamse schrijver Tom Lanoye verwerkte in zijn roman ‘Kartonnen dozen’ (1991) enige humoristische wetenswaardigheden over de inrichting van het Belgische onderwijssysteem. Zo beschrijft hij de geleidelijke verwording van het katholieke onderwijs, generaties lang verzorgd door paters, priesters en kloosterlingen. Op een gegeven moment mochten ook katholieke vrouwen les geven, die werden geselecteerd op hun onaantrekkelijkheid. Maar na verloop van tijd traden ook fraaiere dames toe, tot ontzetting van heel wat paters en priesters, die zich prompt realiseerden dat zij mannen waren, en een voor een uittraden om in de maatschappij weer van de lichamelijke geneugten te gaan genieten.
Het katholieke onderwijs legde zich volgens Lanoye vervolgens een ingrijpende gedaanteverandering op, niet alleen om zich te moderniseren, maar ook om te voorkomen dat vele duizenden Vlaamse jongeren hun toevlucht zouden zoeken tot ‘het goddeloze staatsonderwijs’.

‘Hoe moordend was mijn school’ (1990) luidt de veelzeggende titel van een roman van Gretha Seghers. Zij rekent in dit boek genadeloos af met het katholieke onderwijs.
De eerste zin van deze autobiografische roman is al bijtend: ‘ik ben de dochter van een onderwijzer’ (een volslagen godsdienstwaanzinnige). Seghers heeft zichzelf in dit boek niet helemaal in de hand, zo woedend is zij over de katholieke terreur die haar jeugd misvormd heeft. Het is een tragisch defilé van onderwijsgevende katholieke nonnen, volgens Seghers (en andere Vlaamse schrijvers) ‘afschuwelijke, gevoelsarme, sadistische wezens, niet zelden met een snor’.
In haar roman beklaagt Seghers zich over de positie van de hedendaagse leraar

Platgedrukt als hij is tussen bovenaan een feilloos functionerend bestuursapparaat en onderaan door de uitgebluste producten van het verplichte onderwijs, scholieren wier taal tengevolge van de populaire multiple-choicemethode (dat laat zich vlot corrigeren) en idiote tv-spelletjes is afgebrokkeld tot een infantiel brabbelniveau.

Ook Clem Schouwenaars heeft in zijn romans en autobiografische bundels zijn deemoed betuigd jegens alle duizenden Vlamingen ‘die voor het leven zijn verminkt’ door paters, priesters en nonnen in het onderwijs.
De titel ‘Hoe moordend was mijn school’ is een pastiche op de onderwijzersherinneringen van schrijver Johan Daisne, die hij in 1962 publiceerde onder de titel ‘Hoe schoon was mijn school’ en daarmee volgens andere schrijvers iets te veel voor Theo Thijssen wilde spelen. Zo erg is het dus: positieve boeken over het onderwijs kunnen rekenen op een passend antwoord van andere schrijvers die wel eens zullen uitleggen hoe het werkelijk in elkaar zit.
Seghers (zelf lerares) geeft haar roman een motto mee van de Russische schrijver Anton Tsjechow: ‘een onderwijzer moet een artiest zijn, een kunstenaar, die zijn vak een hartstochtelijke liefde is toegedaan’.

Het loopt tot slot ook vreemd af met Frans Goedhels, hoofdpersonage in ‘Niets gaat ten onder’ (1956) van Louis Paul Boon. Goedhels werkt zich op van een labiele hulpleraar (ook dat nog!) tot directeur van de katholieke school Constructa (!). Als jongen heeft hij op deze school een ambachtsopleiding gevolgd.
Goedhels is een labiele, schichtige jongen die eigenlijk helemaal niet geschikt is voor het onderwijswereldje waarin discipline, orde en tucht hoog staan aangeschreven en waar een harde machtsstrijd woedt. Op Constructa gebeuren veel zaken die het daglicht niet velen. De zwakke, introverte Goedhels kan dan ook moeilijk aarden

Ik had mij alleen gevoeld, in een wereld van anderen.

Goedhels vlucht in ziekelijke erotische mijmeringen, laat zich bespotten door de hoertjes Margaret en Eva, materiële ambities zeggen hem niets, het enige dat telt in het leven is de jacht ‘van duizenden spermatozoïden die zich dood willen storten’. Goedhels is behalve labiel ook nog eens naïef, alleen ‘het sperma is sluw’. ‘ Avonds ontvlucht hij vrouw en kind om over braakliggende terreinen te zwerven met de kriewel in het kruis.
Hij weet zich moeilijk een houding te geven tegenover de tirannieke onderdirecteur – de Kaalkop – en ook thuis is de wilszwakke Goedhels een speelbal in de handen van zijn vrouw Agnes. Agnes zit hem achter de broek, zij wil ten koste van alles dat hij slaagt bij Constructa. Via allerhande manipulaties, zij stelt zelfs haar lichaam aan derden ter beschikking om haar zin te krijgen, weet zij het zover te brengen dat haar man langzaam opklimt van leraar tot directeur van Constructa. De Kaalkop is ontslagen vanwege verduistering, de oude directeur is op een zijspoor gezet. De een na de ander ruimt het veld, verliezers in de keiharde strijd om de macht op school, en zo komt Goedhels alsnog drijvend boven, als de nieuwe directeur. Door leerlingen wordt hij daarom ‘De Kurk’ genoemd.
Boon’s roman over leraar Goedhels wijkt in zoverre af van genregenoten, dat Goedhels de omgekeerde weg aflegt: van hulpleraar tot, zij het niet door eigen verdiensten, en met tegenzin, directeur van de school, in plaats van leraar naar het gesticht. Maar de karaktertrekken van deze leraar annex nieuwe directeur doen het ergste verwachten voor de school…


By on 06:55
De literaire beeldvorming over het leraarschap

Veel leraren in Nederlandse onderwijsromans kampen met een negatief zelfbeeld of het tegendeel: zelfoverschatting. Het leven heeft soms een kwade hand in het lerarenbestaan; zij hebben spijt over hun besluit in het onderwijs te gaan en over de verspilde jaren die reeds zijn heengegaan. Heel vaak gaat het mislukken als leraar gepaard aan huwelijksproblemen (verliefdheden op collega’s of leerlingen liggen op de loer) of existentiële vereenzaming, identiteitsverlies en innerlijk gemis. Helemaal aan de fantasie van schrijvers ontsproten is dit niet, in de onderwijspsychologie noemt men dit verschijnsel  ‘het desintegrerend leraarschap’.
Overigens is het niet in alle gevallen duidelijk of de oorzaak van de problemen thuis of op school ligt, of dat de leraar als romanpersonage gewoon van zichzelf krankzinnig is.
De meeste romans en verhalen over het leraarschap stellen niet het onderwijs centraal, maar het overleven van de leerkracht op school en de gevolgen voor zijn persoonlijk leven. In de literaire context is dit niet verwonderlijk: alleen door een probleemgerichte benadering kan een verhaal tot leven komen. Deze benadering wijkt niet per definitie af van de praktijk van het leraarschap.
Toch is het beroepsbeeld van de leraar in de Nederlandse literatuur een eigen leven gaan leiden. Enerzijds door schrijvende leraren die in hun romans het protest verwoorden van de onderwijswerkvloer, of juist een karikaturaal beeld schetsen van een kleingeestig schoolmilieu, anderzijds door schrijvers die zich laten leiden door de negatieve berichtgeving over het leraarschap in de media.
Ter illustratie een aantal lerarenromans op een rij.

In ‘De laatste lach’ (1997) van R.A. Basart verkeert leraar Adam Beek in een ernstige identiteitscrisis. Tot hilariteit van de leerlingen draagt hij plotseling twee verschillende schoenen en hult zich in vreemde uitdossingen. Suggesties van de schooldirecteur om het even rustig aan te doen en verlof te nemen, slaat hij in de wind. Wanneer mensen hem aanspreken zegt Beek: ‘ik ben niet wie u denkt’ of ‘ik ben een ander’. Het loopt slecht af, met Adam Beek, die in de roman als volgt wordt omschreven:

Man met opvallend gemis aan markante trekken. Leraar.

Deze zin doet onmiddellijk Simon Vestdijk in gedachten schieten, die in zijn roman ‘De andere school’ (1949) noteerde:

Er werd hier een nieuw vak onderwezen: leraren bekijken. Volgende leraar. Een aangename boer, () vriendelijk plantaardig.

De roman van Basart doet verder sterk denken aan de novelle ‘Tegelaar’ (1986) van Ton Meyer. In dit boek is leraar Nederlands Tegelaar van zijn vak vervreemd. Hij is vereenzaamd en verwaarloost zijn huishouden. Hij kampt met een fors drankprobleem en giet bewust koffie over de proefwerken van zijn leerlingen, dat scheelt weer de inspanning van het nakijken. Om de klas in het gareel te houden gooit hij nu en dan een asbak tegen de wand van het klaslokaal.

Ik ben mijn leerlingen aan het verliezen, denkt hij. Ik ben een droge sloot geworden. Ik heb geen inspiratie meer, geen plan, geen inzet. Ik verkoop plantjes met dode wortels. De leerlingen begrijpen dat, in hun gedrag getuigen ze daarvan.

Wanneer Tegelaar weer eens, met een flinke kater, te laat op school verschijnt, loopt hij op de gang een meisje van zijn klas tegen het lijf. ‘Gut meneer, zei het meisje, ‘we dachten dat u zou vervallen, shit’. Even later werpt leraar Tegelaar zich voor de ogen van zijn verbijsterde leerlingen uit het raam.

Hoeveel Tegelaars zouden er werkelijk in het onderwijs rondlopen? Misschien wel meer dan wij vermoeden. Tegelaar is als oudere leraar de greep op zijn vak en daarmee zijn leerlingen kwijtgeraakt. Ook van zijn collega’s is hij vervreemd.
Hij oefent zijn beroep met grote tegenzin uit en vindt troost in de fles wijn die aan het eind van de dag op hem wacht. In het onderwijs vindt hij geen uitdaging meer, zijn energie is op en daarmee ook iedere animo om zich te laten omscholen. De enige behoefte van Maslow die hij nog lijkt te hebben is zijn behoefte aan drank. Het is een thematiek die we ook regelmatig terugvinden in de onderwijsverhalen van Jan Siebelink: leerkrachten op leeftijd die vervreemd raken van de steeds mondiger wordende leerlingen, die het niet kunnen bolwerken in een tijdperk van elkaar opvolgende onderwijsvernieuwingen, waarbij leerkrachten tegen elkaar worden uitgespeeld. Siebelink gaf als eerste schrijver de machteloze leraar een stem in zijn onderwijsverhalen in de bij voorbaat verloren strijd tegen de verzakelijking en managers op scholen die vooral op eigen eer uit zijn en zich blind en doof tonen voor de noden van hun onderwijspersoneel.

Simon Vestdijk (1898-1971) heeft veel jeugdherinneringen in zijn romans verwerkt. Zijn Anton Wachter-cyclus, waaronder het prachtige ‘Terug tot Ina Damman’ (1934) beslaat herinneringen aan zijn schoolloopbaan en leerkrachten. Berucht geworden is leraar Horsting uit ‘Terug tot Ina Damman’, een morsige, roodharige viespeuk

Leraar Horsting bood aan dat hij Marie van den Boogaard na schooltijd voor iets geheel anders een hoog cijfer kon geven

In ‘De andere school’ (1949), deel 4 uit de Anton Wachterromans, schetst Vestdijk een aantal onvergetelijke lerarentypes in zinnen zoals alleen Vestdijk ze schrijven kon.
Meer leraren en karikaturen daarvan treft men onder meer in Vestdijk’s romans ‘De ziener’ (1959) en ‘Zo de ouden zongen’ (1965). Zie ook de Vestdijk typerende beschrijving van twee leraressen in ‘De ivoren wachters’ (1951). De nieuwe leraar Schotel de Bie wil zich voorstellen in de lerarenkamer:

Na zijn tas op de tafel te hebben gelegd, begaf hij zich aarzelend in de richting van de twee leraressen. De jongste, die op de stoel, juffrouw Lenstra, een lelijk, donker meisje in een hobbezak, waaronder veel te grote, waarschijnlijk mismaakte voeten uitstaken, kende hij; zij was het vooral die het woord voerde, op een egaal, onderworpen toontje, de handen gevouwen, alsof haar de biecht werd afgenomen door de veel oudere juffrouw Van Leeuwen, die zich belangstellend naar voren boog, telkens heftig knikkend, waaraan haar lang, plat bovenlichaam in zijn geheel meedeed. Onder geelgrijs haar, dat uit kaarsrechte pieken bestond, was zij zo broodmager, dat haar mond, die niet zo snel mee had kunnen krimpen, de gehele breedte van haar gezicht besloeg: volle, bleekrose kussens, die iets sensueels en kwijnends aan haar uiterlijk gaven.

Bij Vestdijk – en niet alleen bij hem! – zijn leraressen spichtige en schichtige, borstloze wezens, grijze magere schimmen, onderdanige antroposofische spoken, niet zelden mismaakt en met een aangeboren gruwel voor de geslachtelijke omgang tussen man en vrouw, en bij wie de gedachte aan zelfmoord vermoedelijk nooit ver weg is. Men komt hen in de Nederlandse literatuur veelvuldig tegen: krijsend, hysterisch, depressief, borstenloos. Zij duiken op bij Vestdijk, bij Wolkers, bij Reve, bij Hans Warren, bij Arnon Grunberg. Misschien moeten we de oorzaak zoeken bij wat schrijver Tom Lanoye in zijn roman ‘Kartonnen dozen’ (1991) noteerde: dat leraressen lang werden geselecteerd ‘op hun onaantrekkelijkheid’.

Cor de Hoon (schrijver en ex-leraar Engels) publiceerde in 1978 de roman ‘Bitter lemon’, over de geestelijke aftakeling van een leraar Engels, die al tientallen jaren in het onderwijs werkzaam is. De roman speelt zich af tijdens een hittegolf. Toch slaapt leraar Vincent in een pyama: ‘leraren sliepen niet naakt’. Vincent verdwijnt in een psychiatrische inrichting, na al eerder door zijn huisarts te zijn gewaarschuwd:

“Je weet dat leraren het hoogste sterftecijfer hebben van alle beroepen. Er zijn er maar weinig die hun pensioen halen, maar wie weet bof je wel.” (Arts barst in daverende lachbui uit.)

Het zijn niet de minste schrijvers die – mogelijk onbewust – bijdragen aan de stereotypering van leraren. In oktober 2000 verscheen de lijvige roman van Jeroen Brouwers, ‘Geheime kamers’, bekroond met de AKO Literatuurprijs, over een aan de pillen verslaafde en tobberige ex-leraar in een zware identiteitscrisis. Alle elementen van de romanleraar komen weer terug: het onderwijs is een verkeerde beroepskeuze geweest en de aanleiding tot een zware inzinking.
Anna Enquist bedacht voor haar boekenweekgeschenk ‘De ijsdragers’ (2002) het personage Loes van der Doelen, lerares oude talen. Wat voor een lerares moet dat zijn die regelmatig ‘was ik maar dood’ denkt.
Cees Nooteboom schreef in 1991 ‘Het volgende verhaal’ (eveneens een boekenweekgeschenk). Het oudere hoofdpersonage heet Herman Mussert en is leraar klassieke talen. Mussert wordt op zekere dag ’s morgens wakker in een hotelkamer in Lissabon, terwijl hij zeker weet dat hij de avond ervoor in Amsterdam in zijn bed is gestapt. Zoiets kan alleen een leraar in een Nederlandse roman overkomen!
Wonen leraren gewoon thuis, dan stelle men zich een interieur voor vol drankflessen. De drankzucht van de leraar vinden we bijvoorbeeld terug in de roman ‘Op de leegte’ (1999) van Max Niematz (enige tijd leraar geweest). Het hoofdpersonage in deze roman is een oudere leraar Frans met een negatief zelfbeeld, de eenzame Lex Fernhout. Iedere avond ligt hij al vroeg stomdronken en huilend in bed.
Het treffendst kan de typering van de leraar als romanpersonage misschien nog wel geïllustreerd worden met een citaat uit de roman ‘Karelische nachten’ (1989, bekroond met de AKO Literatuurprijs) van Louis Ferron, het relaas van een aan lager wal geraakte leraar Duits:

In de spoelbak van het lerarentoilet hield ik altijd de fles drank verborgen. Niet om die pummels van leerlingen het hoofd te kunnen bieden, dat ongeïnteresseerde volkje ging mij niet aan. Het was eenvoudigweg zo, dat een ambitieloos leven naar mijn mening het beste met drank geleefd kon worden.

In dit citaat zitten evenwel drie relevante elementen vervat die regelmatig in andere romans terugkeren: het lerarenbestaan is uitzichtloos, de leraar is van zijn beroep en leerlingen vervreemd en houdt wel van een lekker borreltje.
Nog in 2001 schreef Kester Freriks – schrijver, leraar

Ik dronk, iedere avond en nacht voor ik voor de klas stond, driekwart fles jenever. Want het leraarsbestaan is armzalig.

Hoe staat het eigenlijk met de erotische kwaliteiten van een leraar? In de ooit zo beroemde, in onderwijskringen spelende roman ‘En dan is er koffie!’ (1976) van de destijds populaire schrijfster Hannes Meinkema wordt zonder omwegen gesteld:

leraren neuken niet, dat weet iedereen!

Christiaan ter Winkel schreef het al in zijn roman ‘Mij dorst’ uit 1974, het relaas van een impotente leraar uit Zeeland met een Jezuscomplex. Clem Schouwenaars (ex leraar Nederlands) schreef het reeds in zijn romans ‘Baldriaan’ (1981) en ‘Een krans om de maan’ (1985), romans over vastgelopen leraren met een verstoorde viriliteit, leraren die vergeefs vechten tegen autoriteiten op school en de middelmatigheid van hun collega’s. In veel romans tonen leraren zich amoureuze klunzen.
Van hetzelfde is de verhalenbundel ‘Lovina uit vissen’ (1993) van Ingeborg van Geldermalsen, waarin een vrijlustige deerne de fout maakt na kroegbezoek met een leraar maatschappijleer naar huis te gaan. Zij belanden echter niet in, maar naast zijn zelfgetimmerde bedbak, waarover hij haar enthousiast allerlei spijkertechnische details uit de doeken doet, zonder haar uit haar windselen te helpen, wat het hitsige meisje doet verzuchten: ‘leraren zijn kleurloze huismussen uit het jaar prik!’.

‘Als leraar aan de slag, een mooi beroep’, zo luidde enige jaren terug een imagocampagne van het ministerie van Onderwijs. Onze vaderlandse schrijvers schetsen in vele verhalen en romans over leraren toch een ander beeld. Joost Zwagerman bijvoorbeeld, zelf afkomstig uit een onderwijsmilieu, die in zijn roman ‘De buitenvrouw’ (1997) het beroep als volgt omschrijft:

Het leraarschap is een maatschappelijk aanvaarde vorm van regressie.
De buitenwacht zag de leraar als een gediplomeerde kneus met lange vakanties. Waarom, waarom dan toch gekozen voor het vak van leraar?

In het verhaal ‘Voetjacht’ (1993) van Inigo Meerman lezen we

leraar is een beroep voor schlemielen geworden

En zie hoe, vijf jaar later pas, de Volkskrant van 18 april 1998 kopte

de leraar is nu net zo belangrijk als de vuilnisman

Ook de befaamde pulpschrijfster Margreet van Hoorn, die na publicatie van haar vijftigste roman jubelde ‘ik begin pas met schrijven!’, meldt in haar roman ‘Een storm in je hoofd’ (1998):

creativiteit en het leraarschap zijn onverenigbaar

Dat verklaart waarom zoveel leraren in hun werk vastlopen, aldus deze roman, overigens een van de weinige romans over leraren waarin de leerkracht alle tegenslagen toch weet te overwinnen.

10 November 2007
By on 00:14
Uitgeblust

Wat in veel romans aan de orde komt, is de uitgeblustheid van de oudere docent. Deze uitgeblustheid wordt meestal veroorzaakt door het na tientallen jaren wel uitgekeken zijn op het vak, de desinteresse of het ieder jaar lager worden van het instroomniveau van leerlingen, starheid van de schoolleiding, het zich in de steek gelaten voelen, de onderwijsvernieuwingen en daarmee gepaard gaande fusiebewegingen en niet in het minst door een chronische afkeer van collega’s. De infantiele of samenzweerderige sfeer die er in lerarenkamers kan hangen blijkt berucht, zowel in de praktijk van het leraarschap als in onderwijsromans.
‘De conversaties in veel docentenkamers beperken zich niet zelden tot het weer, de salariëring en de parketvloer’, schrijft onderwijsdeskundige  J.H.C. Vonk in zijn boek ‘Beginnend leraarschap’. Niet alleen de pauzes, ook docentenvergaderingen zijn vaak een beproeving, aldus Vonk.
Kijken wij naar lerarenromans, dan vinden wij dit naadloos terug. Een kleine greep:

- ‘daar zaten ze dan weer in de lerarenkamer, aan mannen- en wijventafeltjes, want zo ging dat hier toe. Ongelooflijk hoe typisch leraarachtig leraren toch kunnen zijn.’ – Hannes Meinkema, ‘En dan is er koffie’ (1976)

- ‘In de docentenkamer aanvechtingen van minachting voor deze stiekeme fluisterende mensjes’. – Bouke Jagt, ‘Pijnboomspook’ (1979)

- ‘docenten cognitieve en creatieve vakken scholden elkaar uit voor ambtenaar’ – Paul de Vaan, ‘Rijksscholengemeenschap Rietstad’ (1981).

-    ‘Het nieuwe schooljaar werd een gruwel. De machtsstrijdjes onder het docentenkorps barstten weer in volle hevigheid los. Mijn collega’s probeerden na de rustpauze van de zomervakantie, die zij blijkbaar hadden benut voor het herlezen van Machiavelli, hun positie en invloed te vergroten, en al spoedig werd de grote docentenkamer opnieuw gesplitst in terreinen voor de verschillende kongsi’s.’ -  Leon de Winter, ‘Place de la Bastille’ (1982)

- ‘Han haatte iedere dag dat hij les moest geven, de onbenullige praatjes in de pauze en bovenal het oeverloze gelul van de docentenvergadering.’ – Chris Bos, ‘Spijt’ (1986)

- ‘De meesten zaten op hun vaste plekjes tussen hun vaste gesprekspartners en voerden het gesprek waar ze al jaren mee bezig waren.’ – Jan de Zanger, ‘De fietser’ (1988)

- ‘personeelsvergadering met het voltallig stelletje lamzakken, zowel het OP als het OOP, met hun gezeur over rechtspositie. Collegialiteit was ver te zoeken bij hem op school.’ – Rob Groenhof, ‘Afgebrand’ (1995)

-  ‘De bekende meningen waren naar behoren geventileerd, het doek kon vallen. In dit gezelschap is nimmer van gedachten verwisseld, omdat men dan werkelijkheden had moeten wisselen.’  – Jacques Kruithof, ‘Het slotfeest’ (2004)

- ‘Terwijl hij luisterde naar keelslijm, versprekingen, boertjes, stembuiging, streekaccent, onvolkomenheden in de werking van spraakorganen, en lette op haardracht, oorlellen en –bellen, houding en gebaren, hoorde hij net genoeg om van tijd tot tijd adequaat te kunnen reageren’. – Harmen Wind, ‘Meesterschap’ (2005)

- ‘Vervolgens kregen ze de opdracht op papier een onderwijsmuurtje te bouwen. Ze moesten kernwoorden opschrijven die volgens hen de fundamenten weergaven van het lesgeven. () Bij de nabespreking bleek dat Marijke weer niks had opgeschreven. “Ik vind dit bullshit”, zei ze. Nico knikte. “Jij vindt dit dus niet zo nuttig. Ik vind het hartstikke goed van je dat je kritiek durft te geven. Maar ik hoop wel dat je met ons op wilt denken.” “Opdenken?”, vroeg Marijke. “Ja. Op een positieve manier meedenken. Je niet alleen verzetten.” – Henry Sepers, ‘De zondaars’ (2005)

De meeste romans over uitgebluste docenten zijn geschreven door mannelijke auteurs (vaak met onderwijservaring) en handelen over mannelijke leraren. Dit correspondeert met het onderzoek van Leo Prick (‘Het beroep van leraar’, 1984) naar arbeidssatisfactie van oudere docenten, waaruit bleek – ook in internationale context – dat vrouwelijke docenten van middelbare leeftijd, met decennialange ervaring in het onderwijs,  na een periode van verlies van interesse voor het beroep, toch weer opleven, waar mannen geestelijk het bijltje er bij neer gooien. Prick trekt, zij het met begrijpelijke schroom, de conclusie dat ‘vrouwen eerder het onderwijs verlaten wanneer zij het er niet meer naar hun zin hebben’. De geringe loopbaanmobiliteit in het onderwijs maakt mannen kwetsbaarder dan vrouwen (die veelal een parttime aanstelling hebben) voor ‘disengagement’, gefrustreerdheid en uitgeblustheid omdat zij hun ambities in het onderwijs niet of nauwelijks kunnen verwezenlijken, en vrouwen nauwelijks de behoefte, laat staan de ambitie hebben in het onderwijs hogerop te klimmen, aldus het boek van Leo Prick (let wel, een boek uit 1984).
In de Nederlandse romanliteratuur vinden wij de stelling van Prick bevestigd; het zijn vooral mannelijke lerarenpersonages die hun loopbaan in het onderwijs stuk zien lopen op een identiteitscrisis, waar zij niet meer uitkomen. Voor het loopbaanverloop van vrouwelijke lerarenpersonages kan worden verwezen naar tal van leraressenromans, waarbij vooral de geringe ambitie van leraressen opvalt. In de roman ‘En dan is er koffie’ van Hannes Meinkema vinden we Prick-sporen terug, evenals in het werk van Carole Vos, Nicolette Smabers, Ina Stabergh, Marijke de Bruijne en Carry van Bruggen. De verhalen van Smabers en Stabergh handelen over vrouwelijke leerkrachten die worden tegengewerkt door hun superieuren en die worden weggepest dan wel de strijd opgeven. Bij Meinkema reageren de vrouwelijke leraren hun frustratie op elkaar af in plaats van gezamenlijk op te trekken tegen de (mannelijke) schoolleiding.

In de in onderwijskringen spelende roman ‘En dan is er koffie!’ (1976) van Hannes Meinkema wordt gesteld:

Eentonigheid van het beroep maakt van de leraar een middelmatig werknemer.

En middelmatige werknemers als leraren zijn in hun persoonlijk leven merkwaardige mensen, als wij Nederlandse schrijvers moeten geloven. Het zijn vaak ongelukkig gehuwden, of verdorde vrijgezellen bij wie ieder levensvuur is gedoofd. Opgesloten in zichzelf, in hun midlevenbestaan, kijken de leraren mistroostig naar de mooie jonge meisjes in hun klas en fantaseren zij over handtastelijkheden. Niet zelden belanden zij in het gesticht, zowel in de Nederlandse als in de Vlaamse literatuur. Voorbeelden van romans waarin leraren in het gekkenhuis belanden: ‘De man die zijn haar kort liet knippen’ (1947), Johan Daisne; ‘De verwondering’ (1962), Hugo Claus; ‘Een vers graf’ (1974), Durk van der Ploeg; ‘Het zwart uit de mond van madame Bovary’ (1974), Willem Brakman; ‘Bitter lemon’ (1978), Cor de Hoon; ‘De ondergrondse’ (1979), Maurits Mok.

In romans worden leraren vaak door de schoolleiding tegen elkaar uitgespeeld. Voeding voor wantrouwen, roddel, intriges, zoals men zo veelvuldig tegenkomt in de onderwijsverhalen van Jan Siebelink en ook in de roman ‘Een dag als een ander’ van (ex-leraar) Julien Weverbergh. Schaalvergrotingsoperaties (‘nooit is er rust aan het front, de ene fusie volgt op de andere’ – Siebelink), bezuinigingen, daarmee verstoring van de bestaanszekerheid, kunnen ook van negatieve invloed zijn op de gehechtheid aan de organisatie waarbij men werkt.  Men voelt zich langzaam vervreemd van de school, van de collega’s, het lesgeven gaat moeilijker, geleidelijk aan begint men zich te isoleren. Dit alles komt men tegen in de onderwijsverhalen van Jan Siebelink, maar ook bij Simon Bottema, bij Rob Groenhof. Verschijnselen van burn-out treden aan de dag. Het machteloze gevoel met de school vergroeid te zijn, geen prikkel meer voelen zich voor de school in te zetten. Men wordt cynisch, men verzuurt in het lerarenvak (in romans van Jan de Zanger, Hannes Meinkema, Rob Groenhof, Daan Cartens, Jan Siebelink) of men draait door en gedraagt zich vreemd in de klas

Mijn leraar Grieks vertelde altijd over zijn seksuele avonturen met schapen. Hij zit nu in een inrichting. Het Nederlandse onderwijs lijdt door al die verknipte leraren aan een soort gekke koeienziekte.
(Frederique Sursock, ‘Theorie der mislukte leraren’, 2000)

Een roman waarin al het negatieve samenkomt is ‘Wil de laatste docent het licht uitdoen?’ (2001) van Joyce Kelly, een verhaal over opgebrande leerkrachten aan het fictieve Bordewijk College (!) die elkaar het onderwijs uitjagen met hun geklaag.
In sommige romans – bijvoorbeeld bij Jan de Zanger en Cor de Hoon – vertonen oudere leraren een laconieke houding op de zoveelste nieuwste ontwikkeling in het onderwijs: ‘dat heb ik al zo vaak meegemaakt’. Aanklachten tegen het waan van de dag-beleid klinken regelmatig door in de verhalende literatuur. Onderwijsvernieuwingen komen, lopen vast of worden halverwege door de bedenkers de nek omgedraaid (wat kun je ook anders verwachten van een departement dat rapporten uitbracht met titels als ‘Rijkdom van het onvoltooide’).
Programma’s die zijn gericht op persoonlijke ontwikkeling en functiedifferentiatie, te beschouwen als positieve prikkelsystemen, worden soms door de doelgroep met wantrouwen bejegend. In een enkel geval gaat de schoolleider, geconfronteerd met zoveel ongemotiveerd onderwijspersoneel, er zelf aan onderdoor (Groenhof, Siebelink).
Dat dit alles niet apocrief is, vindt men terug in bijvoorbeeld onderwijspublicaties als ‘Personeelsbeleid in het onderwijs: de bittere noodzaak van een nieuwe aanpak’ (1991) van Leo Prick. Praktijkervaringen van (overwerkte) docenten zijn verzameld in ‘Je zult er maar voorstaan’ (1991) van Bart Hageraats (‘een historicus die niet in het onderwijs wilde en onderzocht hoe anderen eruit rolden’).


By on 00:11
De mythe van de statusdaling

Dat de leraar, zoals vaak wordt gesteld, vroeger (wel) hoog in aanzien zou hebben gestaan, vergelijkbaar met de status van notarissen en burgemeesters, is in de Nederlandse romanliteratuur nauwelijks terug te vinden. Ook in de tijd dat leraren nog hooggeacht heetten te zijn, verschenen er reeds romans over leerkrachten die de weg kwijt zijn of al hun illusies over het onderwijs hebben verloren. Erasmus omschreef de status van de leerkracht in zijn ‘Lof der zotheid’ (1509) al als volgt

‘de schoolmeesters bekleden de eerste plaats, die het allerrampzaligst, treurigst en bij de goden het meest gehaat zou zijn. Hoewel zij hun leerlingen niets dan domheid instampen, weten zij het toch met allerlei kunstgrepen tot mijn verbazing zover te brengen dat malle ouders hen aanzien voor wie zij zichzelf uitgeven.’

In 1927 wekte schrijfster Alie Smeding (1890-1938) veel beroering met haar overigens amusante en voor die tijd buitengewoon openhartige roman ‘De zondaar’. Het is het verhaal over een verdoolde leraar die een buitenechtelijke relatie aangaat (en later de betaalde liefde zoekt) omdat zijn koele vrouw niets van seks wil weten en om die reden ook geen kinderen wenst. Vier jaar eerder publiceerde een andere schrijfster, Wilma Vermaat (1873-1967), haar omstreden en destijds fel bestreden roman ‘God’s gevangene’ (1923), een roman over een homoseksuele leerkracht die door zijn geaardheid in een diepe crisis belandt.
Het zijn twee bijzondere romans die respect afdwingen door hun gewaagde thematiek voor die tijd, zeker als men bedenkt dat zij ook nog eens door vrouwen zijn geschreven. Wel kan men tegenwerpen dat beide romans niet strikt handelen over het leraarschap en dat de levenscrisis niet rechtstreeks te herleiden is tot het ambt in het onderwijs.  Wel sluit de thematiek aan bij de problematische persoonlijkheidsstructuur van leraren in latere Nederlandse romans.
Schrijfster, onderwijzeres en filosofe Carry van Bruggen (1881-1932) publiceerde in 1920 haar autobiografische en rancuneuze sleutelroman ‘Uit het leven van een denkende vrouw’, geschreven onder haar tweede pseudoniem Justine Abbing. In dit boek beschrijft zij – via haar hoofdpersonage Marianne Edema – haar treurige ervaringen in het onderwijs en wordt het Nederlandse onderwijswereldje neergezet als een seksistisch bolwerk van ‘heertjes met holle strotten’. Multatuli ging haar al voor in zijn schriftelijke tirades tegen zijn aartsvijand Thorbecke, destijds als minister belast met het onderwijsbeleid.

In moderne romans is nog weinig terug te vinden van het reeds lang ingezette beleid om de werkomstandigheden van leraren te verbeteren. Ook vandaag nog worden klaagzangen aangeheven over het beroep van leraar en de staat van het Nederlandse onderwijs. De roman ‘Meesterschap’ (2005) van Harmen Wind handelt over een bekwame, maar iets te overmoedige, drankzuchtige docent die in zijn rol als contactpersoon ongewenste intimiteiten ernstig in de fout gaat, en waarin een regel voorkomt die kenmerkend kan worden genoemd voor praktisch alle lerarenromans

    Er waren vele wegen naar de hel van het leraarschap

Leraren blijven in romans toch vooral verbitterde sujetten, solidariteit en beroepstrots ontbreken. Deze lerarenpersonages falen in al hun rollen: de pedagogische rol, de didactische rol en de interpersoonlijke rol. Werken met de leerlingen gaat hem moeilijk af, of hij legt de leerlingen juist op overdreven wijze zijn wil op, het werken in collegiale teams is een beproeving en aan de eigen ontwikkeling in het vak wordt helemaal niet meer gewerkt. Daarentegen wordt juist afgegeven op collega’s, waarbij de romans met elkaar lijken te wedijveren in cynisme. Soms is een personage wel een bekwaam leraar, maar zijn het omgevingsfactoren (schoolleiding, collega’s, beleid OCW, bezuinigingen die ten koste gaan van ervaren leerkrachten) die in hem of haar het cynisme doen ontwaken.
Geen wonder dat ook schoolmanagers uiteindelijk bezwijken aan zoveel neerslachtigheid om hen heen. Neem rector Rogier Woerlee uit ‘Schaduwen in de middag’ (1987) van Jan Siebelink, die zich ergert aan zijn lerarenkorps

"Wat zijn jullie hier vanmorgen op school komen zoeken? Een rector, een staf, docenten… dat maakt nog geen school. Maar jullie zijn niet in staat een levend geheel te vormen, er ontbreekt hier iets… aandacht, liefde, mededogen, ik weet het niet… Deze school is een groot leeg huis geworden".

Natuurlijk is een leraar in sociaal-psychologische zin een ideaal personage voor een schrijver om zijn dramatische gaven op los te laten (‘dramatisch’ in de zin van het beschrijven van het inwendige leven en het handelen van het personage in een sociale omgeving waarin hij een voorbeeldfunctie heeft, en hij overeind moet blijven waar zoveel ogen op hem gericht zijn). Verder biedt de sociale omgeving van een school, het schoolklimaat met alle tegenstellingen (management-docententeam; docent-leerling; docenten onderling; school-ouders en alle belangenafwegingen vandien) een uitstekende voedingsbodem voor een roman waarin conflictsituaties worden uitgediept. Maar vraag blijft: waarom zo weinig een leraar beschreven die sterk in zijn schoenen staat, die als steun en toeverlaat voor zijn leerlingen fungeert, die enthousiast is en uiterst bekwaam in zijn didactisch handelen. Niet de oplossingen en/of de kansen staan centraal, maar de problemen. In dit opzicht wijken Nederlandse onderwijsromans niet af van de vaak probleemgefocuste teneur in de media.
Kijken wij naar bijvoorbeeld de Verenigde Staten of Australië, dan zien wij een meer romantisch beeld van het leraarschap: de docent krijgt (in romans en speelfilms) vaak te maken met een onhandelbare klas, of een klas waarin onderlinge tegenstellingen de sfeer bepalen, maar bijna altijd slaagt de leraar erin drop outs en andere probleemgevallen op het rechte pad te krijgen, vaak door rechtstreeks te interveniëren in het privé-leven van leerlingen.
In Nederland (en Vlaanderen) staat echter de psychologische onttakeling van de leraar als romanpersonage centraal. In de ene roman gaat dat wat explicieter dan in de andere, soms is er een directe aanleiding (conflict met een leidinggevende, onomkeerbare onderwijsvernieuwingen, een dreigende fusie met een andere school), andere keren heeft het te maken met een ontwricht zieleleven.
Een problematische schets van het leraarschap vinden we ook terug in de Franse en Duitse literatuur. Een treffend voorbeeld is de roman ‘Brandung’ (1985) van Martin Walser, over de vastgelopen leraar Helmut Halm, die zijn carrière en huwelijk in gevaar ziet komen door zijn verliefdheid op een studente. Een zeer succesvolle roman (hij wordt binnenkort verfilmd) is ‘De lerarenkamer’ (2003) van de jonge Duitse schrijver (en ex-leraar!) Markus Ohrts. De rector aan de atheneumschool in deze roman houdt zijn leraren voor dat het schoolsysteem berust op vier pijlers: angst, klagen, schijn en leugens. Zie je als leraar in zo’n omgeving vol intriges, verraad, verdachtmakingen en complotten maar eens staande te houden!

Onderwijsromans kennen soms het karakter van een afrekening. Onderwijsvernieuwingen en –maatregelen vertalen zich dikwijls ook in romans, waarin de gevolgen voor het schoolpersoneel (met name leraren) worden geschetst. Waar de ene schrijver zich bedient van ironie (Simon Bottema, Cor de Hoon, Levi Weemoedt, Paul de Vaan), daar is het onderwijs bij andere schrijvers (Jan Siebelink, Jacques Kruithof) een te ernstige zaak om er een luchtig verhaal om heen te hangen.  Bij Siebelink is het leraarschap soms zelfs een zaak van leven en dood.
Andere schrijvers lijken zich te laten inspireren door de actualiteit, door de beeldvorming in de media over het leraarschap, het imagoverlies van het beroep van onderwijsgevende, en ontwikkelen zo sjablonen voor een romanpersonage, die door weer andere schrijvers worden overgenomen. Lerarenpersonages zijn brekebenen, zowel op school als in het eigen leven. Soms speelt het onderwijs zelfs helemaal geen rol in het verhaal, bijvoorbeeld in romans van Willem Brakman en Jan Meyers. Het geeft voeding aan de bewuste stereotypering van de leraar als romanpersonage als een instabiel wezen, men schildert het portret van een halve gek en voegt daar later als automatisme het beroep aan toe: leraar.
Conjuncturele omstandigheden lijken daarbij vooralsnog niet van invloed te zijn: laagconjunctuur of hoogconjunctuur, imagocampagnes mogen (voorlopig) niet baten, literatuur kent zijn eigen wetten.


By on 00:09